683. Meerjarenplan gevaarlijke afvalstoffen 1996 - 2006 (MJP-GA2)

VROM en IPO willen de methoden van verwerking van gevaarlijk afval en vaststellen van voorzieningen voor die verwerking vaststellen.   

Procedure en adviezen

Richtlijnen
20-03-1995 Datum kennisgeving
20-03-1995 Ter inzage legging van de informatie
22-05-1995 Advies uitgebracht
Toetsing
14-05-1996 Kennisgeving MER
14-05-1996 Ter inzage legging MER
16-09-1996 Toetsingsadvies uitgebracht

Opmerkingen bij de advisering

De Commissie was van mening dat het MER voldoende informatie bood voor de besluitvorming over het MJP GA II. Naar haar mening moest dit milieueffectrapport gezien worden als een eerste goede stap in een traject dat zou moeten gaan leiden tot een volledige, kwantitatief onderbouwde vergelijking van de milieueffecten van verwerkingstechnieken voor gevaarlijk afval, waarbij rekening wordt gehouden met milieueffecten in alle schakels van de verwijderingsketen. Zij constateerde dat het MER dit volledige inzicht niet gaf, vooral door het buiten beschouwing laten van ecotoxicologische effecten van reststoffen in het eindtraject van de verwerking. Zij stelde tegelijkertijd echter vast dat een volledig beeld op korte termijn niet gegeven zou kunnen worden, aangezien op dit punt sprake is van een leemte in kennis. Het gegeven dat op dit moment geen volledig beeld gegeven kan worden, diende naar de mening van de Commissie consequenties te hebben voor de hardheid waarmee de minimumstandaard als referentietechniek wordt gehanteerd bij de vergunningverlening. De Commissie adviseerde hierover een toelichting op te nemen bij het definitieve besluit over het MJP-GA-II. 

In december 1996 zijn errata bij het MER en de Trendstudie gepubliceerd evenals een aanvullend onderzoek naar de relevantie van milieueffecten van zware metalen in het eindtraject van de afvalverwijdering.

In het plan zijn de beperkingen van de uitgevoerde LCA’s voor de vergunningverlening aangegeven. Daarbij wordt aangegeven dat bij de vergunningverlening bezien moet worden of recente gegevens over het uitlooggedrag bij hergebruik en storten beschikbaar zijn en of de effecten hiervan relevant zijn voor de beoordeling van de milieueffecten. Op basis van het aanvullende onderzoek wordt geconcludeerd dat naar verwachting het daarbij met name zal gaan om C1, C2 en C3 afval en afvalstoffen met een hoog gehalte aan kwik en/of cadmium. Wanneer hiervan sprake is zal ten behoeve van de vergunningverlening een nieuwe vergelijking van de verschillende in het MER beschreven technieken plaats moeten vinden.

In het besluit is tevens opgenomen dat bij de vergunningverlening geverifieerd dient te worden of de samenstelling van het te verwerken materiaal vergelijkbaar is met de samenstelling die is gehanteerd voor de berekeningen in het MER.

 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dr. Anthonissen
prof. drs. van den Berg
drs. Blonk
ir. Jans
drs. Lindeijer
ir. Evert Mulder
dr. Frans Tonnaer
dr. ir. Zevenbergen

Voorzitter: ing. Emile Mastenbroek
Werkgroepsecretaris: ir. Veronica ten Holder

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Ministerie van Volkhv., R.O. en Milieubeheer
Interprovinciaal Overleg (IPO)

Bevoegd gezag
Ministerie van Volkhv., R.O. en Milieubeheer
Interprovinciaal Overleg

Overige gegevens

Gebied: Nederland, niet provinciaal ingedeeld gebied


Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C18.1 tot 1-4-2011: Beleid over afvalverwijderingsmethode, stort of locaties

Bijgewerkt op: 10 jul 2018