427. Zuidelijke Ringweg Groningen (rijksweg A7)

In de jaren zestig is de Zuidelijke Ringweg Groningen aangelegd. De weg was oorspronkelijk vooral bestemd voor de afwikkeling van het stedelijk verkeer. Voor het overig verkeer bestond het voornemen om in de jaren zeventig zogenaamde buitentangenten aan te leggen. Door een geringere automobiliteitsgroei dan gepland zijn die echter niet aangelegd. Vanwege de huidige congesties op de Zuidelijke Ringweg en de verwachte toename daarvan is een m.e.r./tracéprocedure gestart om een besluit te kunnen nemen over aanpassing van de weg en/of eventueel andere maatregelen.   

Procedure en adviezen

Richtlijnen
13-05-1992 Datum kennisgeving
13-05-1992 Ter inzage legging van de informatie
29-06-1992 Advies uitgebracht
Advies voor richtlijnen
Aanvullende richtlijnen
04-04-1996 Datum kennisgeving
04-04-1996 Ter inzage legging van de informatie
13-08-1996 Advies uitgebracht
Aanvullend advies voor richtlijnen
Toetsing a
27-11-1998 Kennisgeving MER
27-11-1998 Ter inzage legging MER
Toetsing
21-07-1999 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsingsadvies

Opmerkingen bij de advisering

Het richtlijnenadvies vroeg onder andere aan te geven, of de alternatieven die in de startnotitie worden genoemd, de meest extreme mogelijkheden zijn; ook wordt gevraagd een meest milieuvriendelijk alternatief’ te beschrijven via een nieuwe aanpak. De richtlijnen zijn vrijwel conform het richtlijnenadvies vastgesteld. Eind 1995 werd duidelijk, dat wellicht een nieuwe opzet van de studie nodig zou zijn. Op grond van voorlopige studies was duidelijk geworden, dat capaciteitsvergroting op of langs het bestaande tracé, met handhaving van de bestaande bebouwing, alleen met zeer ingrijpende kostbare infrastructuur in het verticale vlak zou kunnen worden gerealiseerd. Gezien de barrièrewerking en de landschappelijke consequenties van dergelijke oplossingen werden ernstige knelpunten verwacht. Daarom heeft Rijkswaterstaat Noord-Nederland, in overleg met de provincie en de gemeente Groningen, besloten om naast de eerder in studie genomen alternatieven, ook oplossingen aan de zuidkant van de stad Groningen (zuidtangentalternatieven) in beschouwing te nemen. Daarom is een aanvullende startnotitie gepubliceerd en een aanvulling op de m.e.r.-procedure gestart. De beide zuidtangenttracés (D1 en D2) die in de aanvullende startnotitie worden aangegeven, doorsnijden het Paterswolder Meer en de groene strook tussen de bebouwde kommen van Groningen en Haren; het lange zuidtangenttracé (D2) doorsnijdt bovendien delen van de ecologische hoofdstructuur ten zuidwesten van de stad Groningen. 

De Commissie adviseerde in haar herziene richtlijnenadvies in het MER vooral aandacht te schenken aan gezamenlijke inspanningen om de noodzaak tot nieuwe infrastructuur te verminderen en aan de consequenties van het feit dat de rijksweg verschillende functies vervult: 85% van het verkeer komt uit of gaat naar de stad Groningen; slechts 15% van het verkeer is doorgaand. Zij adviseerde om de zuidtangentalternatieven in het MER niet meer verder uit te werken, als zou blijken dat – met ingrijpende maatregelen – minder ingrijpende tracés voldoende oplossingen zouden kunnen bieden. Als zuidtangenten toch worden uitgewerkt, dan zou wellicht met de uitwerking van alleen een kort zuidtangent (D1) kunnen worden volstaan.

Uit de inspraak zijn enkele suggesties voor andere alternatieve traceringen naar voren gekomen; de Commissie adviseerde in het MER te motiveren of deze suggesties bruikbaar zijn – en om de bruikbare suggesties in alternatieven uit te werken.

Voor het zoeken van een meest milieuvriendelijk alternatief adviseerde ze om, áls nieuwe infrastructuur onontkoombaar is, in eerste instantie uit te gaan van oplossingen op of vlak langs het bestaande tracé. Zij vroeg bij oplossingen in het verticale vlak vooral te kijken naar mogelijkheden van ondertunneling. Ook bracht ze onder de aandacht, dat rekening zou moeten worden gehouden met de beperkte opnamecapaciteit van het onderliggende wegennet.

Tijdens de toetsing bleek dat er vooral ten aanzien van de mogelijke aantasting van onderdelen van de ecologische hoofdstructuur nog vragen bleven bestaan. Hierop is besloten om de toetsing te verlengen en de Commissie aanvullende informatie te verschaffen. Het toetsingsadvies kwam tot de conclusie dat het MER de essentiële informatie bevatte om een besluit tot het nulalternatief of de alternatieven A of B te nemen, maar dat voor een besluit over de alternatieven C of D, voorafgaand aan het besluit, nog iets meer informatie nodig was over hoe de beschermingsformules van het SGR zouden worden toegepast.

Op 11 april 2000 maakte de minister van Verkeer en Waterstaat het standpunt bekend. De bedoeling van de ministers is om

  • op de korst mogelijke termijn een nieuwe kortsluitende verbinding tussen de A7 bij Engelbert en de N46 ter hoogte van de aansluiting Driebond als autoweg aan te leggen;
  • afspraken met de andere overheden te maken over flankerende maatregelen om de automobiliteitsgroei af te remmen;
  • de bereikbaarheid van de agglomeratie Groningen en de doorstroming op het hoofdwegennet te blijven monitoren;
  • na 2007 een tracébesluit te gaan voorbereiden voor de aanleg van een autosnelweg volgens alternatief C3 (zuidtangent) om indien dán blijkt dat de bereikbaarheid en doorstroming na 2010 toch ernstige problemen opleveren, in 2010 een (nieuw) tracébesluit te kunnen nemen. In de voorbereiding van dit besluit zullen de beschermingsstatus van het natuurontwikkelingsgebied De Bronlanden en de toepassing van het compensatiebeginsel in de afwegingen worden betrokken. Ook zal worden bezien of de stand van de techniek nieuwe oplossingen mogelijk maakt.
Het ontwerp-tracébesluit van december 2001 en het tracébesluit van mei 2002 bouwen voort op dat standpunt.

In februari 2003 werd bekend dat vanuit gemeente en provincie Groningen ook werd gedacht aan een verdiepte uitvoering van een deel van de westelijke ringweg Groningen.

 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. ir. P. van Eck
dhr. ir. J.R. Groenhuijse
dhr. drs. A.L. de Jong
dhr. ir. D. Wiebes

Voorzitter: dhr. dr. J.Th. de Smidt
Werkgroepsecretaris: dhr. drs. M. Odijk

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Rijkswaterstaat

Bevoegd gezag
Rijkswaterstaat
Ministerie van Volkhv., R.O. en Milieubeheer

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Groningen


Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C01.4 tot 1-4-2011: Verbreding hoofdweg of ombouw tot autosnelweg

Bijgewerkt op: 10 jul 2018