Roel Sillevis Smitt
jurist en werkgroepsecretaris
Verder is deze uitspraak interessant omdat:
NB Er verschijnen steeds meer inhoudelijke uitspraken over m.e.r.-beoordeling. Ook deze uitspraak vormt dus een voorbeeld over hoe m.e.r.-beoordeling plaats dient te vinden (zie ook bijvoorbeeld ABRvS 29 december 2010, zaaknr. 201000770/1/M2 Deze link opent in een nieuw tabblad of Vz.ABRvS 4 februari 2011, zaaknr. 201011900/2/M1 Deze link opent in een nieuw tabblad).
Op 25 mei 2010 heeft het college van B en W Haaren aan vergunninghouder een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 lid 1 Wm (oud) verleend voor een pluimveehouderij. De oorspronkelijke Wm-vergunning was op 17 september 1998 verleend voor het houden van 87.000 vleeskuikens. De revisievergunning is verleend voor het houden van 156.250 vleeskuikens. Van dit aantal worden 77.500 vleeskuikens gehouden in twee nieuwe stallen. de overige vleeskuikens worden in reeds bestaande stallen gehouden die worden gewijzigd. Deze wijzigingen bestaan er uit dat de stallen worden voorzien van een mixluchtventilatiesysteem en dat er minder dieren in worden gehouden.
Volgens appellanten heeft het college ten onrechte besloten dat er geen m.e.r.-plicht bestaat omdat:
Volgens het college bestaat er geen verplichting tot het opstellen van een MER gelet op:
Overwegingen van de bestuursrechter
Wijziging bestaande stallen
De bestaande stallen worden niet zodanig gewijzigd dat zij aangemerkt moeten worden als nieuw opgerichte installaties.
Sinds 16 augustus 2006 bepaalt categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. 1994 dat ook voor het wijzigen en uitbreiden van in deze categorie genoemde projecten een m.e.r.-plicht bestaat, naast de al bestaande m.e.r.-verplichting voor het oprichten van dergelijke projecten. Uit de nota van toelichting bij het Besluit van 16 augustus 2006 volgt dat bij een wijziging of uitbreiding van een inrichting alleen een m.e.r.-plicht bestaat wanneer door deze wijziging of uitbreiding de drempelwaarde van categorie 14 van onderdeel C wordt overschreden (Stb. 2006, 388, blz. 37). Dit betekent voor het houden van vleeskuikens dat pas een m.e.r.-plicht bestaat wanneer het aantal vleeskuikens toeneemt met de drempelwaarde van meer dan 85.000. Zie ABRvS 26 maart 2008, zaaknummer 200708006/1. Door de vergunde wijziging van de stallen en oprichting van de twee nieuwe stallen neemt het aantal vleeskuikens niet met meer dan 85.000 toe, zodat geen m.e.r.-plicht bestond.
Geur en ammoniak
Uit het besluit van 4 mei 2010 over de te verlenen vergunning blijkt dat het college rekening heeft gehouden met de kenmerken en de plaats van het project.
Uitspraak
Niet alleen de beroepsgrond inzake m.e.r., maar ook de overige beroepsgronden slagen niet. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Zie ook de uitspraak over het bestemmingsplan buitengebied Haaren (ABRvS 7 september 2011, zaaknr. 200907076/1/R3).