ECLI:NL:RVS:2025:4560

Omgevingsvergunning Eneco Wind

Jurisprudentie details

Datum uitspraak

24 september 2025

Rechtsprekende instantie

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Soort procedure

Eerste aanleg - meervoudig

Trefwoorden

Mer-beoordelingsplicht, Oosterhout, Projectbegrip, Windpark, Windturbines

ECLI-nummer

ECLI:NL:RVS:2025:4560

Conclusies voor de mer-praktijk

  • Nieuwe windturbines hoeven geen onderdeel te zijn van een al bestaand windpark als de bestaande en de nieuwe windturbines verschillende eigenaren/initiatiefnemers hebben, deze eigenaren/initiatiefnemers over en weer geen zeggenschap hebben over elkaars windturbines, de bestaande windturbines geen technische binding met de nieuwe windturbines hebben, de verschijningsvormen van de windturbines verschillen en voor de nieuwe windturbines aparte onderzoeken zijn verricht.
  • Alleen het feit dat de nieuwe windturbines dichtbij de bestaande windturbines worden geplaatst, is onvoldoende om te spreken van één windpark.

Casus

Op 6 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie en het gebruik van twee windturbines en bijbehorende voorzieningen voor een periode van 25 jaar.

Appellanten voeren twee punten aan die samenhangen met de bestaande definitie van windturbinepark. Ten eerste betogen zij dat voor het project een mer-beoordeling vereist was vanwege de samenhang met zes bestaande winturbines op het aan de projectlocatie grenzende bedrijventerrein. De twee nieuwe windturbines vormen volgens hen een uitbreiding van dat bestaande windpark in de zin van categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (red.: dit is nu categorie C2 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit). Ten tweede voeren appellanten aan dat ook bij minder dan drie windturbines sprake kan zijn van een windturbinepark, omdat modernere windturbines meer milieugevolgen veroorzaken.

Overwegingen van de bestuursrechter
De Afdeling overweegt dat alleen een mer-beoordelingsplicht bestaat als sprake is van de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark. Volgens het Besluit mer is pas sprake van een windturbinepark bij drie windturbines of meer. Het vergunde project voorziet in de realisatie van twee windturbines.

Appellanten betogen dat de definitie van windturbinepark in het Besluit mer in strijd is met de SMB-richtlijn vanwege de milieugevolgen van moderne windturbines. De Afdeling overweegt dat dat de SMB-richtlijn ziet op plannen en programma’s, terwijl het hier gaat om de vraag of voor de omgevingsvergunning een project-mer-beoordelingsplicht geldt. De richtlijn die daarover gaat is de Mer-richtlijn (2014/52/EU). Aangezien appellanten niet hebben betoogd dat de Mer-richtlijn onjuist in het Besluit-mer is geïmplementeerd, slaagt het betoog niet.

Naar het oordeel van de Afdeling kan in dit geval ook niet worden gesproken van de uitbreiding van een bestaand windturbinepark. Daarvoor is van belang dat de bestaande en de nieuwe windturbines verschillende eigenaren/initiatiefnemers hebben en dat deze eigenaren/initiatiefnemers over en weer geen zeggenschap hebben over elkaars windturbines. Daarnaast hebben de bestaande windturbines geen technische binding met de twee nieuwe windturbines, verschillen de verschijningsvormen van de windturbines en zijn voor de twee nieuwe windturbines aparte onderzoeken verricht. Het feit dat de twee windturbines in de nabijheid van de zes bestaande windturbines worden geplaatst, is onvoldoende om tot een ander oordeel komen.

Uitspraak
De beroepen zijn ongegrond.