ECLI:NL:RVS:2011:BQ2688

Betreft Trac├ębesluit Rijksweg 74
Datum uitspraak 27-04-2011
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden wegen, A73, A74, verouderd MER, actualisatie MER, actualiteit, trac├ębesluit, Crisis- en herstelwet (Chw)
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201008134/1/M2
Toets 2011, 3 (p. 15)

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • De in het MER beschreven uitvoeringsalternatieven hoeven niet volledig overeen te stemmen met de in de besluitvorming over dat project gemaakte uitvoeringskeuze. Relevant daarbij is:
    • of er sprake is van ingrijpende aanpassingen zodat het opgestelde MER niet meer als basis voor de besluitvorming kan worden gebruikt, en/of
    • er in aanvulling op het MER onderzoek is gedaan naar de milieueffecten van deze ingrijpende aanpassingen.

Let op: Deze conclusie is gebaseerd op artikel 7.27 lid 2 Wm (oud). Hoewel dit artikel is vervallen, is de verwachting dat deze conclusie ook onder het huidige recht geldig zal zijn (gebaseerd op artikel 7.28 lid 1 sub b Wm, mede in samenhang met artikel 7.23 Wm).

  • Het na een opgesteld MER beschikbaar komen van nieuwe prognoses over verkeersintensiteiten, betekent niet automatisch dat sprake is van een aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden in de zin van artikel 7.27 lid 2 Wm (oud). Het is in beginsel toegestaan dat beschikbare informatie wordt aangevuld gedurende de besluitvormingsprocedure (zie ABRvS 3 december 2008, zaaknr. 200703693/1).
  • Rapporten die aanvullend op het MER worden opgesteld ten behoeve van tracébesluiten die onder de werking van de Crisis- en herstelwet vallen, hoeven niet verplicht aan de Commissie m.e.r. voor advies te worden voorgelegd. Zie de factsheet Crisis- en herstelwet.

Casus

Bij besluit van augustus 2010 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (thans: Infrastructuur en Milieu) het tracébesluit Rijksweg 74 vastgesteld. Dit tracébesluit voorziet in:

  • aanleg van een 1,8 km lange snelweg (RW74) als verbinding van de A73 naar de Bundesautobahn 61 (BAB61) in Duitsland;
  • een aantal aanpassingen van de A73 in verband met de aanleg van deze verbinding.

Appellanten betogen dat:

  • het MER verouderd is, omdat:
    • de voorgenomen weefvlakken en geluidschermen op de A73 een afwijking op het MER vormen;
    • in een andere inrichting van het knooppunt A73-RW74 wordt voorzien dan in het MER beschreven staat;
    • na het MER andere verkeersprognoses zijn verschenen,
  • naast het MER gebruik is gemaakt van drie nieuwe rapporten, zonder dat daarover een advies van de Commissie m.e.r. is gevraagd.

Overwegingen van de bestuursrechter
Het bevoegd gezag neemt een besluit indien de gegevens die in het MER zijn opgenomen redelijkerwijs aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Er wordt geen besluit genomen wanneer er een aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden is ten opzichte waarvan bij het maken van het MER is uitgegaan (artikel 7.27 lid 2 Wm (oud)). Het MER wordt opgesteld om voldoende milieu-informatie te verzamelen voor de besluitvorming over een project. Een MER houdt zelf niet een besluit over een bepaald project in. De in die besluitvorming gemaakte keuze hoeft niet volledig overeen te stemmen met de in het MER beschreven uitvoeringen van het project. Zo'n eis zou namelijk betekenen dat het MER zelf reeds een definitieve keuze over het project zou moeten inhouden.

In dit geval is na het opstellen van het MER besloten om in samenhang met de aanleg van Rijksweg74 weefvakken en geluidschermen aan te leggen op de A73. Verder is de inrichting van het knooppunt A73-RW74 anders vormgegeven dan was voorzien in het MER. Dit zijn niet zodanig ingrijpende aanpassingen dat het opgestelde MER niet meer als basis voor de besluitvorming over het tracébesluit kan worden gebruikt. In aanvulling op het MER is onderzoek gedaan naar de milieueffecten van de aanpassingen. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister bij het nemen van zijn besluit op dit punt over onvoldoende informatie beschikte.

Sinds het opstellen van het MER zijn nieuwe prognoses over de verkeersintensiteit beschikbaar gekomen. Dit brengt als zodanig niet mee dat sprake is van een aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden in de zin van artikel 7.27 lid 2 Wm (oud). Het is niet ongebruikelijk en het is in beginsel toegestaan dat in dit soort procedures de beschikbare informatie wordt aangevuld gedurende de besluitvormingsprocedure (zie ABRvS 3 december 2008, nr. 200703693/1). Gezien het tijdsverloop tussen het opstellen van het MER en het nemen van het besluit en de aard van de nadere informatie, kan niet worden geoordeeld dat het opgestelde MER niet als basis voor de besluitvorming over het project kon dienen.

Het betoog dat de Commissie m.e.r. in de gelegenheid had moeten worden gesteld om advies uit te brengen over de drie rapporten (artikel 7.26 Wm (oud)) slaagt evenmin. Artikel 7.26 Wm (oud) is niet van toepassing op de in bijlage II Crisis en herstelwet (Chw) bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten (zie artikel 1.1 lid 2 Chw, samen met afdeling 3 Chw). In bijlage II onder E.6 is het in het geding zijnde project opgenomen. Omdat niet voorzien is in desbetreffend overgangsrecht, is met ingang van de inwerkingtreding van de Chw op 31 maart 2010 artikel 7.26 Wm (oud) niet van toepassing op het in het geding zijnde project. Er bestaat dan ook geen verplichting om de Commissie m.e.r. om advies te vragen over de in juli 2010 uitgebrachte rapporten.

Uitspraak
De beroepen zijn ongegrond.