630. Tangenten (Randweg) Eindhoven (A2 en A67)

Rijkswaterstaat directie Noord-Brabant wil een trajectstudie uitvoeren voor de verbreding van de bestaande tangenten rond Eindhoven (A2, A58 en A67) en de eventuele aanleg van een oosttangent (A50) tussen Eindhoven en Helmond. Verder zal worden onderzocht, of een verbinding ten oosten van Helmond of een verbinding ten westen van Veldhoven en Welschap een alternatief voor een oosttangent kan zijn.

Procedure en adviezen

Richtlijnen
25-08-1994 Datum kennisgeving
25-08-1994 Ter inzage legging van de informatie
01-11-1994 Advies uitgebracht
Toetsing
27-04-1998 Kennisgeving MER
27-04-1998 Ter inzage legging MER
07-08-1998 Toetsingsadvies uitgebracht

Opmerkingen bij de advisering

In het richtlijnenadvies adviseerde de Commissie in het bijzonder aandacht te besteden aan:

  • effecten op natuur en landschap;
  • de noodzaak en mogelijkheden voor compenserende maatregelen;
  • de gebiedsdelen die binnen of buiten de ecologische hoofdstructuur en provinciale groenstructuur zijn gelegen.

Er heeft een tussenstudie’ plaatsgevonden die is vastgelegd in de Notitie Nieuwe Infrastructuur (NNI). De NNI is afgesloten met de conclusie dat in de trajectnota/MER alleen oplossingen worden bestudeerd, die de be staande tangenten verbeteren.

De Commissie concludeert in haar toetsingsadvies dat dit MER (inclusief het NNI) een goed voorbeeld van trech te ring’ is, waarbij belanghebbenden in de brede zin van het woord vanaf het begin een rol hebben gespeeld. Gro te waardering heeft de Commissie voor het be le vings onderzoek. De uitwerking van mitigerende en com penserende maatregelen is goed en gebaseerd op lo kale kennis. Opmerkingen heeft de Commissie nog ten aanzien van de ontwikkeling van het mma en de toe passing van de gevoeligheidsanalyse. Zij schat in dat de ze opmerkingen geen verschillen zullen aanbrengen in de alternatievenvolgorde. Aanbevelingen voor de ver de re besluitvorming doet de Commissie ten aanzien van de effectiviteit van de doelgroepstroken en de uiteinde lij ke uitwerking van het gekozen alternatief.

Op 26 oktober deelde de Minister van Verkeer en Wa ter staat aan de Kamer mee dat het niet zou lukken om de termijn van de Tracéwet te halen bij de stand punt be paling en dat het eind 1998 zou worden. Op 22 de cem ber meld de de Minister dat ook dát niet haalbaar was gebleken en dat het uiterlijk voorjaar 1999 zou wor den, vanwege het feit dat er meer tijd no dig was voor aanvullend over leg tussen de ministeries.

Op 22 mei heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat haar standpunt bekend gemaakt. In haar standpunt wordt gekozen voor het meest milieuvriendelijk alternatief met enkele aanpassingen. Gestreefd wordt het ontwerp-tracébesluit medio 2001 ter inzage te leggen.

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. drs. D. van der Hoek
dhr. ir. W.H.A.M. Keijsers
dhr. ir. K. Nije

Voorzitter: dhr. ir. M.M.U. van Dis
Werkgroepsecretaris: drs. E.D.M. Verbeek

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Rijkswaterstaat

Bevoegd gezag
Rijkswaterstaat
Ministerie van Volkhv., R.O. en Milieubeheer

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Noord-Brabant


Categorieën Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C01.1 Aanleg hoofdweg
C01.4 tot 1-4-2011: Verbreding hoofdweg of ombouw tot autosnelweg

Bijgewerkt op: 10 jul 2018