345. Vernieuwing slibverwerkingsinstallatie te Mierlo

Het waterschap heeft het plan opgevat tot vervanging en uitbreiding van de slibverwerkingsinstallatie te Mierlo tot een capaciteit van 780.000 m3 nat slib per jaar1, grotendeels – via persleidingen – afkomstig van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Eindhoven. In de installatie te Mierlo wordt het slib ontwaterd met behulp van zeefbandpersen en kamerfilterpersen. Het voornemen behelst vervanging van deze technieken door moderne centrifuges. De bestaande installatie werkt met een Hinderwetvergunning2, waarbij overschrijding van enkele in deze vergunning vastgelegde voorwaarden wordt gedoogd.  Bij de start van de (eerste) m.e.r.-procedure werd het ontwaterde slib deels afgevoerd naar het composteringsbedrijf Rutte te Halfweg, deels naar de stortplaats van de RAZOB. Hoewel het provinciaal beleid uiteindelijk verbranding van (ontwaterd) zuiveringsslib voorstaat, is nog geen locatie gevonden voor een slibverbrandingsinstallatie. Naast de genoemde vergunningen zal het ook nodig zijn, dat de gemeente Mierlo via het betreffende bestemmingsplan planologische mogelijkheden en voorwaarden aangeeft voor de herziening van de slibverwerkingsinstallatie.   1 Deze capaciteit komt overeen met 23.400 ton dro ge stof per jaar.  2 Deze is op 13 december 1983 door B&W van Mier lo verleend, en bij Koninklijk Besluit van 20 november 1985 gewijzigd.  

Procedure en adviezen

Richtlijnen
01-03-1991 Datum kennisgeving
01-03-1991 Ter inzage legging van de informatie
29-04-1991 Advies uitgebracht
Advies voor richtlijnen
Tweede Richtlijnenfase
10-10-1991 Datum kennisgeving
10-10-1991 Ter inzage legging van de informatie
22-11-1991 Advies uitgebracht
Tweede advies voor richtlijnen
Toetsing
15-03-1993 Aanvraag toetsingsadvies bij de Commissie m.e.r.
07-04-1993 Kennisgeving MER
07-04-1993 Ter inzage legging MER
01-06-1993 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsingsadvies

Opmerkingen bij de advisering

Na bekendmaking van de startnotitie hebben op 16 juli 1991 Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant het waterschap De Dommel laten weten, dat zij voor de activiteit een ander vergunningenregime nodig achtten dan aanvankelijk was aangenomen: dat namelijk in plaats van een Afvalstoffenwetvergunning een Hinderwetvergunning nodig zou zijn. In aanvulling hierop hebben op 20 september B&W van Mierlo bevestigd, dat de Hinderwet van toepassing is. In verband hiermee heeft het waterschap besloten de m.e.r.-procedure opnieuw te starten. 

In haar (eerste) richtlijnenadvies vroeg de Commissie onder andere naar varianten op de te accepteren kwaliteit en kwantiteit slib, en de risico's van over- of onderdimensionering. Bij het advies vroeg de Commissie tevens aandacht voor de bodemverontreiniging op het terrein. Hoewel het MER zich niet op bodemsanering als voorgenomen activiteit zou moeten richten, zou wel duidelijk moeten worden in hoeverre de later plaats te vinden bodemsanering en de herziening van de slibontwatering elkaar zouden kunnen beïnvloeden.

Het tweede advies voor richtlijnen verschilde nauwelijks van het eerdere advies. Bij het advies vroeg de Commissie aandacht voor afstemming op het provinciaal afvalstoffen- en milieubeleid en voor procedurele samenwerking met de provincie in verband met de mogelijkheid, dat deze later wellicht toch weer de bevoegdheid voor de vergunningverlening zou kunnen moeten overnemen1.

De vastgestelde richtlijnen kwamen vrijwel overeen met het advies van de Commissie. In april 1992 is contact geweest tussen het secretariaat van de Commissie en de gemeente Mierlo over een concept-MER.

Het MER en de aanvragen voor de vergunningen ingevolge de Hinderwet en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren werden op 25 februari 1993 door het waterschap toegezonden aan burgemeester en wethouders van Mierlo. Deze zonden de genoemde stukken op 15 maart door aan de Commissie voor de m.e.r. Op 19 maart vond een ambtelijke bespreking plaats tussen het waterschap en de gemeente Mierlo, waarbij de gemeente op enkele punten aanvullende informatie verzocht. Op 29 maart zond het waterschap de gemeente aanvullende informatie; op 5 april zond de gemeente de Commissie deze aanvullende informatie. Overigens werd tezelfdertijd ook de ontwerp-gedoogbeschikking van de gemeente Mierlo bekendgemaakt, waarin deze aangaf de overschrijding van de vergunningvoorwaarden – zoals die waren vastgesteld in de Hinderwetvergunning – te willen toestaan tot uiterlijk 31 december 1996.

De Commissie concludeerde in haar toetsingsadvies, dat het MER voldoende informatie bevatte voor de besluiten over de beide aangevraagde vergunningen, mits ten behoeve van de Hinderwetvergunning een nieuwe berekening van de te verwachten contouren van geurhinder zou worden opgesteld. De Commissie vond de voorspelde geurcontouren gebaseerd op enkele onduidelijke onderstellingen en een optimistische aanname. Hoewel zij, met deze kanttekening bij de berekeningen, geen aanleiding zag om ernstige geurhinder te veronderstellen, meende zij, dat nieuwe berekeningen voor de vergunningverlening zeer aanbevelenswaard zouden zijn. Verder suggereerde de Commissie te bezien of een bedrijfstijdenvariant, waarin zo min mogelijk centrifuges permanent zouden worden ingeschakeld, en de overige centrifuges alleen bij een aanvoerpiek zouden worden gebruikt, een vermindering van de geluidemissies zou opleveren.

In de aanbiedingsbrief bij het advies werd aangetekend, dat de voorgenomen gedoogperiode lang zou duren, en dat het tijdstip tot ingebruikneming van de vergunning tevens lang zou duren. Gewezen werd op de risico's, in verband met het landelijk beleid ten aanzien van vergunningen en gedoogsituaties. De Commissie is er bij haar toetsing echter van uit gegaan, dat de situatie ten aanzien van het gedogen geen invloed had op haar eigen toetsing van het milieueffectrapport.

In ambtelijk overleg tussen de gemeente Mierlo en de inspectie milieuhygiëne op 4 juli 1993 werd duidelijk, dat de nieuwe inrichting uiterlijk per 1 januari 1996 in gebruik genomen zal kunnen worden. De gedoogperiode zal daarom een jaar korter zijn dan eerder werd aangenomen. In dit overleg kwam ook de vraag aan de orde, of – in verband met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer – de gemeente Mierlo wel bevoegd zou zijn om een gedoogbeschikking af te geven, en of dit niet een verantwoordelijkheid van het provinciaal bestuur zou zijn. De inspectie ging uit van een provinciale bevoegdheid en adviseerde in verband hiermee op 2 juli 1993 aan de gemeente om met Gedeputeerde Staten contact op te nemen.

Vanaf 17 maart 1994 werden de ontwerp-beschikkingen ingevolge de Hinderwet en de Wvo, alsmede de definitieve gedoogbeschikking tot (voor de periode 31 december 1995) ter inzage gelegd. Uit de ontwerp-beschikkingen wordt onder andere duidelijk, dat het de bedoeling is om het merendeel van de tijd drie (wisselende) slibontwateringscentrifuges in werking te hebben, en dat slechts bij aanvoerpieken een vierde centrifuge zal worden ingeschakeld. De centrifuges zullen 's nachts niet worden gebruikt, omdat dat tot gevolg zou hebben dat 's nachts ook aanvoer zou moeten plaatsvinden, en omdat aanvoer geluidemissies met zich meebrengt.

Nieuwe berekeningen aan de geurcontouren hadden aannemelijk gemaakt, dat ook bij ongunstiger aannamen geen overschrijding van de ontwerp-grenswaarden voor (H2S-) geur zou optreden.

Tegen de ontwerp-beschikking ingevolge de Hinderwet zijn bezwaren ingebracht, die zich vooral richtten op de bodemsanering en de hoogte van de vernieuwde slibontwateringsinstallatie. Deze hebben niet geleid tot wijzigingen in de vergunningvoorschriften. Tot 31 augustus 1994 stond beroep open tegen beide vergunningen bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

 

1 Dit betreft dan de situatie, waarin de Wet milieubeheer in werking treedt: op grond van deze wet en de nieuwe regelgeving zal de provincie het bevoegd gezag worden voor een milieuvergunning voor een slibontwateringsinstallatie. 

 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. ing. S. van Loo
dhr. ing. C. Roos
dhr. dr. F.P.C.L. Tonnaer
dhr. ir. W.G. Werumeus Buning

Voorzitter: dhr. ir. P. van Duursen
Werkgroepsecretaris: dhr. drs. M. Odijk

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
De Dommel

Bevoegd gezag
Mierlo
Noord-Brabant
De Dommel

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Noord-Brabant


Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
D18.3 tot 1-4-2011: Wijzigen van inrichting voor diverse afvalstoffen

Bijgewerkt op: 31 aug 2007