2636

Structuurvisie Windenergie op land

De Rijksoverheid heeft de ambitie om in 2020, samen met de provincies, 6.000 MW aan windenergie op land te realiseren. Hiervoor is een structuurvisie opgesteld, die gebieden aanwijst en ruimtelijke randvoorwaarden stelt aan windprojecten met een capaciteit van meer dan 100 MW, de zogenaamde Rijkscoördinatieprojecten.

Hoofdpunten uit het advies

Toetsingsadvies aanvulling op het MER
De Commissie stelt vast dat, ondanks de inhoudelijke aanvullingen, de informatie over de alternatieven nog steeds weinig transparant is en dat daarmee ook de beoordeling van de milieueffecten op tal van punten moeilijk verifieerbaar blijft. Het aangevulde MER bevat wel voldoende informatie voor het vastleggen van generieke inrichtingsprincipes en aandachtspunten voor de ontwikkeling van grootschalige windenergie in specifieke gebieden. Het MER heeft beperkt bijgedragen aan de aanwijzing in de SVWOL van de gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windenergie. Dat is het gevolg van het feit dat, zoals ook in het MER is vermeld, vooral de bestuurlijke afspraken tussen het Rijk en de provincies daarin leidend zijn geweest.

Voorlopig toetsingsadvies
De Commissie concludeert dat het MER de volgende tekortkomingen bevat:

  • De beschreven milieueffecten per gebied zijn niet goed navolgbaar waardoor een heldere vergelijking tussen gebieden onderling en tussen alternatieven niet mogelijk is. Dit komt door onduidelijkheden in de methodische aanpak.
  • Het is de Commissie onduidelijk hoe de Rijksoverheid zal omgaan met (lopende) procedures voor grootschalige windenergie (Rijkscoördinatieprojecten) buiten de SVWOL-gebieden en de daarmee samenhangende milieueffecten.

Advies reikwijdte en detailniveau
De Commissie adviseert in het MER onder meer het volgende op te nemen:

  • Een geloofwaardige onderbouwing van de wijze waarop het doel - 6.000 MW windenergie in 2020 door het Rijk en de provincies gezamenlijk - behaald wordt. Geef hierbij ook een doorkijk naar de doelen voor windenergie na 2020.
  • Een navolgbare trechtering van de gebieden uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) naar de voorgestelde (kleinere) selectie van gebieden. Hiermee wordt duidelijk of en zo ja welke mogelijkheden voor de productie van grootschalige windenergie verloren gaan. Ook wordt duidelijk wat de milieuconsequenties van deze trechtering zijn.
  • Een overzicht van de milieuvoordelen en/of –verschillen die ontstaan door onderdelen van alternatieven uit te ruilen. Hierbij kan bijvoorbeeld in het uiterste geval gedacht worden aan vrijwaren van de Afsluitdijk vs meer turbines in Noordoost-NL en omgekeerd.
  • Het antwoord op de vraag in de Passende beoordeling of aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden op voorhand is uit te sluiten in het VKA. Indien dit niet het geval is, verken dan in het MER of de ADC-stappen succesvol doorlopen kunnen worden.

Samenstelling van de laatste werkgroep

ir. Peter van der Boom MA

ir. Wim Keijsers

dr. Michiel van Pelt

ing. Caspar Slijpen

ing. Rob Vogel

voorzitter

dr. Dick Tommel

werkgroepsecretaris

drs. Sjoerd Harkema

Projectinformatie

Bevoegd gezag

Ministerie van Economische Zaken, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Min. IenW)

Initiatiefnemer

Ministerie van Economische Zaken, Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Laatste advies uitgebracht op

23 januari 2014