2289

Structuurvisie voor de ondergrond Drenthe

De provincie Drenthe wil een structuurvisie voor de ondergrond vaststellen. Hierin wordt ruimtelijk vastgelegd welke gebruiksfuncties, zoals geothermie, aardgas- en CO2-opslag, waar mogelijk zijn in de Drentse ondergrond en of ze daar ook gewenst zijn gezien de boven- en ondergrondse milieueffecten.

Hoofdpunten uit het advies

De Commissie heeft geadviseerd om in het MER de volgende informatie op te nemen: 

  • de milieueffecten van de afzonderlijke gebruiksfuncties; 
  • welke gebruiksfuncties waar mogelijk zijn, gezien de milieueffecten van de betreffende gebruiksfunctie en de huidige en toekomstige ruimtelijke ordening; 
  • of gebruiksfuncties elkaar uitsluiten. Zo niet, welke cumulatieve milieueffecten deze functies hebben; 
  • maak duidelijk of het MER leidt tot prioritering of randvoorwaarden in de structuurvisie. 
  • geef aan hoe evaluatie en monitoring plaatsvindt.

De essentiele informatie voor de besluitvorming over de structuurvisie is aanwezig in het MER en de toelichtende notitie die daarbij is geschreven door de provincie over de onjuiste uitgangspunten voor aardgasbuffering.

Het MER is een goed leesbaar rapport met een duidelijke structuur. Het biedt veel bruikbare informatie. De samenvatting is redeijk summier. De Commissie adviseert om naast de samenvatting in ieder geval ook tabel 8.1 uit het MER en de voornaamste bevindingen op p. 5 van de ontwerp-structuurvisie te lezen. Verder geeft de Commissie adviezen over het nadere onderzoek dat nodig is voordat een ondergrondse gebruiksfunctie daadwerkelijk wordt gerealiseerd en over het behalen van de provinciale doelstellingen.

Samenstelling van de laatste werkgroep

prof. dr. ir. Cornelis van den Akker

prof. ir. van der Vuurst de Vries

dr. ir. Fennet van de Wetering

ir. Bob Wiekema

voorzitter

drs. Marieke van Rhijn

werkgroepsecretaris

mr. drs. Marjan Poortinga

Projectinformatie

Bevoegd gezag

Provincie Drenthe, Provincie Drenthe

Initiatiefnemer

Provincie Drenthe, Provincie Drenthe

Laatste advies uitgebracht op

14 juni 2010