Hoogwaterbescherming en milieueffectrapportage

Nieuwsbericht | 11 april 2019

Bij dijkversterkingen wordt vaak een m.e.r.-procedure doorlopen. Maar hoe zet je milieueffectrapportage dan het beste in? Wanneer is het handig te starten met de m.e.r-procedure? Wanneer vraag je om advies en zienswijzen? Wat verandert er met de Omgevingswet?

Hoogwaterbeschermingsprogramma

In het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) werken Rijk en waterschappen samen om Nederland te beschermen tegen overstromingen. Het HWBP is onderdeel van het Deltaprogramma, waarin elke 5 jaar wordt gekeken of de primaire waterkeringen nog voldoen aan de veiligheidsnormen. Als dit niet zo is, dan worden ze opgenomen in het HWBP. Zo wordt nu in heel Nederland gewerkt aan dijkversterking, dijkverlegging en andere waterveiligheidsmaatregelen.

Wanneer speelt m.e.r. bij dijkprojecten?

Voor HWBP-projecten wordt vaak een m.e.r.-procedure doorlopen. Soms is dat verplicht omdat de ingreep m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, zoals bij versterking van een waterkering, een ontgronding of een plan waarvoor een Passende beoordeling nodig is vanwege mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Maar vaak wordt ook voor milieueffectrapportage gekozen als het niet verplicht is. Milieueffectrapportage helpt bij het scherp krijgen van doelstellingen, kansen, bedreigingen en  risico’s, bij de keuze tussen alternatieven, bij de inzet van participatie van belanghebbenden en omwonenden en bij het creëren van draagvlak voor een besluit.

Relatie MIRT en milieueffectrapportage

Alle HWBP-projecten volgen de MIRT-spelregels. MIRT staat voor Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport. Het MIRT kent een vaste fasering en vaste beslismomenten. Voor milieueffectrapportage zijn vooral de fases verkenning en planuitwerking van belang:

  • De verkenningsfase draait om het bedenken van mogelijke oplossingen. Door deze oplossingen tegen elkaar af te wegen ontstaat aan het eind van deze fase een voorkeursalternatief. De voorkeursbeslissing (dit is de beslissing over het voorkeursalternatief) is niet altijd een formeel besluit.
  • In de planuitwerkingsfase wordt het voorkeursalternatief gedetailleerd uitgewerkt. De projectbeslissing, aan het eind van deze fase, wordt vastgelegd in een projectplan Waterwet dat moet worden goedgekeurd door de provincie. 

Het milieueffectrapport wordt meestal gelijk met het projectplan Waterwet gepubliceerd, dus pas aan het eind van de planuitwerkingsfase. De provincie moet dit projectplan goedkeuren, en is daardoor het bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure.

De voorkeursbeslissing

De belangrijkste keuzes worden vaak al in de verkenningsfase gemaakt, als uit meerdere kansrijke oplossingsrichtingen een voorkeursalternatief wordt gekozen. De keuzes die dan gemaakt worden zijn vaak bepalend voor de effecten op de woon- en leefomgeving, natuur en landschap. Eigenlijk hét moment waarop het milieueffectrapport een rol speelt. In die fase wordt nog geen formeel besluit genomen, maar is er wel behoefte aan advies en consultatie van de omgeving. Daarom wordt voor de voorkeursbeslissing vaak een Milieueffectrapport 1e fase of een concept-milieueffectrapport opgesteld, onder andere om de omgeving erbij te betrekken. De Commissie m.e.r. wordt vaak om een ‘tussentijds advies’ gevraagd om ongewenste verrassingen in de planuitwerkingsfase te voorkomen.
Soms wordt de verkenningsfase wel afgesloten met een formeel besluit, zoals een (inter)gemeentelijke structuurvisie. Daarbij wordt dan een planmilieueffect-rapport uitgebracht. Voorbeelden zijn het Rivierklimaatpark IJsselpoort en het plan Meanderende Maas.

Milieu-informatie zo vroeg mogelijk

De m.e.r.-procedure start met de publicatie van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Dit startmoment verschilt per project. Soms komt de NRD uit bij de start van de planuitwerkingsfase als al een voorkeursalternatief is gekozen. Bij de meeste projecten wordt de NRD uitgebracht als de eerste selectie van kansrijke alternatieven heeft plaatsgevonden. Soms nog vroeger in de verkenningsfase, als deze voorselectie nog niet is gebeurd.

De Commissie m.e.r. heeft de afgelopen jaren geadviseerd over veel projecten van het HWBP. Zij heeft de volgende tips:

  • Stel de NRD al op in de verkenningsfase. Hierdoor wordt het milieubelang goed meegewogen bij het kiezen van de beste oplossing. Het voorkomt dat in het voortraject al oplossingen worden weggestreept die milieuvoordelen hebben. Ook voor het draagvlak in de omgeving is dit belangrijk.
  • Zorg dat de NRD voldoende houvast biedt voor het op te stellen milieueffectrapport. Er moet duidelijkheid zijn over de veiligheidsopgave, de doelstellingen van het project en zicht op de te onderzoeken oplossingsrichtingen.
  • Markeer de belangrijkste formele én informele beslismomenten, vooral de voorkeursbeslissing. Zo is voor de omgeving duidelijk wanneer zij kan meedenken of een zienswijze kan indienen. Een ‘Milieueffectrapport 1e fase’ met een advies van de Commissie kan hierbij nuttig zijn.

Wat betekent de Omgevingswet?

De invoering van de Omgevingswet heeft gevolgen voor de besluitvorming over HWBP-projecten en de rol van milieueffectrapportage daarin. Het projectbesluit vervangt meerdere instrumenten uit de huidige wetgeving, waaronder het projectplan Waterwet. Het projectbesluit kan volgens de Wet worden voorafgegaan door een voorkeursbeslissing. In sommige gevallen is dit verplicht. De provincie moet het projectbesluit goedkeuren. De provincie zal in deze fase dus het bevoegd gezag blijven. 

Voorkeursbeslissing is plan-m.e.r.-plichtig
Belangrijk is dat onder de Omgevingswet een voorkeursbeslissing plan-m.e.r.-plichtig is. Wie in deze fase bevoegd gezag is zal per project verschillen. Het hangt af van wie de voorkeursbeslissing neemt. Het plan-milieueffectrapport komt daardoor uit op het moment waarop dit het meest van belang is: bij de keuze tussen alternatieven.

Factsheet Hoogwaterbescherming en milieueffectrapportage (pdf)