‘Het was bijzonder dat mijn onderzoek bijgedragen heeft aan een aanpassing in de wet’

40 jaar geleden - Martha Buitenkamp

Martha Buitenkamp begon in 1987 als vierentwintigjarige stagiaire bij de Commissie mer en kwam er aansluitend in dienst. Hoe kijkt zij terug op die eerste pioniersjaren van de Commissie? “We zijn begonnen met milieueffectrapportages in een tijd dat milieu nog niet zo meegenomen werd in de besluitvorming. Het was een pioniersfase waarin we met inhoudelijk gedreven mensen van alles aan het uitzoeken waren en veel dingen voor het eerst deden. Terugkijkend was het werk bij de Commissie mijn allerleukste baan.”

“In 1986 vertelde een bodemkundedocent tijdens een college: ‘Er komt binnenkort een Commissie voor de milieueffectrapportage, en dat is heel belangrijk want voor grote ingrepen krijgen we dan goed zicht op wat het voor het milieu betekent’. Ik dacht dat is interessant!  Daar wil ik stage lopen. Toen heb ik een brief gestuurd en werd uitgenodigd. Ze vonden het kennelijk wel leuk dat er zich een studente uit Groningen meldde. Afgesproken werd dat ik een half jaar stage ging lopen en me bezig zou houden met de vraag of er voor landinrichting ook een mer-plicht moest komen. Die was er niet omdat de Landinrichtingsdienst zei dat ze al een eigen effectmethode hadden die vergelijkbaar was en dus m.e.r. (toen nog met puntjes, red) niet nodig was. Maar de uitkomst van mijn stageonderzoek liet zien dat dat niet klopte. Na verloop van tijd is ook landinrichting mer-plichtig geworden.”

“Het was 1987. De Commissie was net gestart en moest snel uitbreiden. De toenmalige secretaris/algemeen directeur Jules Scholten vroeg me: “Wil je hier komen werken?” Ik was daar superblij mee. Het was hartstikke lastig om als bioloog een baan te vinden. Ik studeerde snel af en ben op 1 januari 1988 gestart bij de Commissie, boven de beddenzaak aan de Mariaplaats in Utrecht (toen nog het kantoor van de Commissie).

Het was de leukste baan die ik gehad heb. Dat kwam ook door Jules Scholten, een hele fijne leidinggevende. Het was een pioniersfase waarin we met een groep inhoudelijk sterk gedreven mensen van alles voor het eerst deden. Het was ook super interessant omdat je mocht werken voor hele ervaren voorzitters. We hadden als voorzitters o.a. Hans Cohen (voormalig directeur RIVM), Karel Veldhuis (voormalig directeur Unilever) en Hans Ouwerkerk, toen burgemeester van Groningen. En we werkten met top deskundigen. Mensen die echt heel veel meebrachten. Van mijn stagebegeleider Herman Huisman leerde ik “schrijven is schrappen”. Ik herinner me nog een uitdrukking van Cohen: “Geh nur zum Fürst wenn du gerufen wurst”. (ga alleen naar de vorst als je ontboden wordt, red). Een metafoor voor dat je heel goed moet nadenken op welk niveau je een bepaald probleem aanhangig maakt of escaleert. En dat was in de bestuurlijke context van de Commissie een hele goede leidraad; één die me bij is gebleven.”

“In die beginjaren was het natuurlijk ook voor gemeenten en provincies allemaal nieuw. Veel bestuurders hadden nog niet door hoe het allemaal functioneerde. En als de Commissie dan kritisch was, dan waren sommige ambtenaren en schrijvers van rapporten buitengewoon gepikeerd of zelfs beledigd. De gesprekken daarover waren soms lastig en dan hadden zelfs die ervaren voorzitters er hun handen vol aan. Ik ken verhalen van mensen die kwaad zijn weggelopen of een voorzitter die letterlijk met de vuist op tafel sloeg. Al gebeurde dat niet vaak. Nadien vergde dat wel wat schrijfmanskunst om een aanbiedingsbrief en rapport te maken waar iedereen zich in kon vinden.”

Ik vind dat de adviezen leesbaarder en meer to the point geworden zijn

“Als ik op de site van de Commissie mijn eigen naam zoek, kom ik op 16 projecten waar ik aan gewerkt heb. Dat begon met nummer 106. Ik zag dat jullie nu inmiddels boven de 4000 zitten. De werkwijze lijkt in al die jaren niet veel veranderd. Ook toen werkten we met deskundigen, een voorzitter en een werkgroepsecretaris. En ook toen streefden we ernaar om binnen de termijn (die wel wat langer was dan nu) een advies af te ronden. Je had toetsingsadviezen, en een “advies voor richtlijnen”, als reactie op de startnotitie (vergelijkbaar met de huidige Notitie Reikwijdte en Detailniveau, red) die toen nog verplicht was. De Mer-beoordelingsplicht bestond nog niet, de ontheffing wel. We streefden er toen ook al naar dat dezelfde werkgroep voor de richtlijnen ook de toetsing van het MER deed.

De werkgroepen zijn kleiner geworden: het proces lijkt efficiënter en doelmatiger. Ook vind ik dat de adviezen leesbaarder en meer zijn toegespitst op de belangrijkste issues. Zo kunnen ook omwonenden en andere betrokken zo’n advies lezen en begrijpen. Want participatie, inspraak en draagvlak zijn belangrijk; mensen meenemen in keuzes die gemaakt kunnen worden. Ik ben nu als zzp-er bij verschillende projecten betrokken en ik merk hoe belangrijk betrokkenheid van burgers is. Je zou misschien wel verder moeten gaan dan dat wat strikt gevraagd wordt vanuit de eisen van een milieueffectrapportage. Zeker als je het hebt over omgevingseffecten (i.p.v. milieu) dan is brede omgevingsparticipatie van groot belang en ik ben er van overtuigd dat plannen erdoor verbeteren en het draagvlak toeneemt.”

De tijd dat een milieueffectrapport in tienvoud afgedrukt op een steekkarretje werd binnengereden is gelukkig voorbij.

“Wat natuurlijk veranderd is, is de ICT en daarmee ook het tempo. Toen ik startte, typten de secretaresses de adviezen (en steeds alle wijzigingen!) en aanbiedingsbrieven nog uit. De pc’s kwamen en algauw volgden de laptops. Als je in de trein wilde werken nam je zo’n ding van een paar kilo mee, waarop je drie kwartier kon werken en dan was hij leeg. Ik weet nog dat we een eerste faxapparaat kregen. Daarvoor verstuurden wij een aanbiedingsbrief per post en kregen we die een paar dagen later, ook weer per post, met reactie terug. Toen kwam de fax en stuurde je die brief met dat apparaat en kreeg je dezelfde dag nog een reactie.

We hadden geen mobieltjes. Als je in de trein moest bellen, moest je naar een belhokje met een vaste telefoon. En als ik nu foto’s van die tijd bekijk dan zie ik overal stapels papieren en dossiermappen. De tijd dat een milieueffectrapport in tienvoud afgedrukt op een steekkarretje werd binnengereden is gelukkig voorbij.”

“Wanneer is een mer nou zinnig? Gaat het om een visie, een plan, een locatie of een vergunning? Dat was toen nog niet zo heel erg uitgekristalliseerd. Ik heb bijvoorbeeld indertijd het MER structuurschema Groene Ruimte (met daarin de EHS) begeleid. De vraag die we toen al hadden: hoe maak je daar nou een goed MER bij? En wat is de meerwaarde van mer voor een vergunning als de wezenlijke locatiekeuzes al veel eerder gemaakt zijn? En hoeveel toegevoegde waarde heeft een MER bij een omgevingsvisie? Moet je daar de term milieueffectrapportage nog wel aanhangen? Of is zo’n visie meer gebaat bij een omgevingsonderzoek, een soort omgevingsanalyse?

Ik vond het bijzonder dat mijn stageonderzoek bijgedragen heeft aan de mer-plicht voor landinrichting. Ik mocht als jong broekie ook mee naar de directeur van de Landinrichtingsdienst (inmiddels opgeheven) waar Hans Cohen de uitkomsten van mijn onderzoek wel eventjes mee ging delen. Ik heb zoveel kansen gekregen. Ik mocht voor de Commissie twee weken naar Engeland om daar de organisatie die bezig was met Environmental Impact Assessments te ondersteunen met Nederlandse kennis. Ik heb ook allerlei (ook buitenlandse) trainingen mogen geven. En hoogzwanger mocht ik mee naar de vaste Kamercommissie die toch eens wilde weten hoe het allemaal ging met die milieueffectrapportage. Ook heb ik nog de verhuizing naar de Arthur van Schendelstraat georganiseerd.”

Een soort klant volgsysteem waarmee je inzicht krijgt in de impact van je adviezen.

“Ik denk dat het zinnig kan zijn om als Commissie vaker tussentijds contact te hebben met de initiatiefnemers, ook als er geen formele rol is. Bijvoorbeeld tussen het NRD advies en het MER en in de periode dat een project vergund is/wordt uitgevoerd. Hoewel ik ook de nadelen zie, kan ik mij zowel vanuit de Commissie als vanuit de initiatiefnemers voorstellen dat het goed is te informeren: Hé, we hebben dat advies afgegeven, hoe gaat het met jullie en dat project nu? Een soort klant volgsysteem waarmee je inzicht krijgt in de impact van je adviezen.”