ECLI:NL:RVS:2009:BJ4099

Spitsstrook A1 't Gooi

Jurisprudentie details

Datum uitspraak

2 maart 2011

Rechtsprekende instantie

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Soort procedure

Eerste aanleg - meervoudig (tussenuitspraak)

Trefwoorden

A1, Alternatieven, Spitsstroken, Spoedwet wegverbreding, Wegaanpassingsbesluit

ECLI-nummer

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4099

Conclusies voor de mer-praktijk

  • Niet alle alternatieven voor een activiteit (in casu een wegverbreding) hoeven te worden beschouwd. Zo hoeven alternatieven die:
    • niet op korte termijn kunnen worden gerealiseerd; en
    • niet de snelle verlichting die met het voornemen wordt beoogd, kunnen bieden die op korte termijn noodzakelijk is, buiten het onderzoek worden gehouden.

NB Het is onduidelijk of de conclusies betrekking hebben op de m.e.r.-praktijk. Volgens de Spoedwet wegverbreding hoeven voor dit project sowieso geen m.e.r.-alternatieven te worden beschreven.

Casus

Bij besluit van mei 2010 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: Infrastructuur en Milieu) krachtens de Spoedwet wegverbreding het wegaanpassingsbesluit A1 't Gooi vastgesteld. Dit wegaanpassingsbesluit heeft betrekking op het inrichten van de vluchtstroken als spitsstrook op het A1-wegvlak van aansluiting Bussum tot en met knooppunt Eemnes.

Appellanten betogen dat het wegaanpassingsbesluit het fileprobleem op de A1 ’t Gooi niet oplost. Zij voeren onder meer aan dat:

  • door het wegaanpassingsbesluit een nieuw verkeersprobleem ontstaat bij de aansluiting Laren vanwege de overgang van drie naar twee rijstroken;
  • beter gekozen had kunnen worden een andere, meer structurele oplossing van het fileprobleem ter plaatse, zoals een ander tracé of de aanleg van een landtunnel.

Overwegingen van de bestuursrechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt voorop dat de vaststelling van een besluit zoals in dit geval aan de orde een belangenafweging vergt waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen (vgl. ABRvS 15 september 2010, zaaknr. 200904401/1/M2). Het is niet aan de rechter om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Hij kan slechts concluderen of de gemaakte belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat de minister niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Wat het gestelde verkeersprobleem betreft, heeft de minister naar voren gebracht dat uit het MER volgt dat de intensiteit/capaciteit (I/C)-verhouding op het wegvak Witte Bergen-Laren in het jaar 2020 slecht is. Daar staan in het MER drie verbeteringen tegenover:

  • de I/C-verhouding na aanleg van de spitsstroken wordt over het algemeen beter;
  • de bestaande knelpunten op het voor het hoofdwegennet belangrijke traject A1 't Gooi worden verholpen, en
  • als gevolg van het wegaanpassingsbesluit zullen de lengte en de zwaarte van de files op de A1 't Gooi afnemen ten opzichte van de situatie waarin geen maatregelen worden genomen.
  • Een ander tracé of een landtunnel is volgens de minister niet aan de orde, omdat deze alternatieven niet op korte termijn kunnen worden gerealiseerd. En daarmee dus niet snel de verlichting kan worden geboden die voor de A1 't Gooi noodzakelijk is.

    Gelet op het voorafgaande heeft de minister bij afweging van belangen en na het in ogenschouw nemen van alternatieven terecht besloten tot verbreding van de A1 't Gooi. De volgende omstandigheden maken dat niet anders:

    • er zal in 2020 voor een gedeelte van het wegvak van de A1 't Gooi nog een verkeersprobleem zijn;
    • spitsstroken zijn ‘slechts’ tijdelijke maatregelen, en
    • de spitsstroken zijn afhankelijk van het aantal voertuigen, mogelijk de gehele dag geopend zijn.

    Dit leidt tot het oordeel dat de betrokken belangen zodanig evenwicht zijn afgewogen dat de minister in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

    Uitspraak
    De genoemde gerelateerde beroepsgronden worden afgewezen, maar de Afdeling geeft een tussenuitspraak: de Minister wordt in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken te motiveren dat de gehanteerde verkeersgegevens uit 2007 nog actueel zijn.

    NB De beroepen zijn inmiddels ingetrokken, zodat geen einduitspraak meer volgt.