Conclusies voor de mer-praktijk
- Als in een bovenliggend plan al een MER is gemaakt waarin locatie-alternatieven zijn onderzocht, een voorkeursalternatief is gekozen en volgens de Commissie m.e.r. die keuze voldoende onderbouwd is, hoeven in het MER voor een vervolgplan voor dat gebied niet opnieuw locatie-alternatieven te worden onderzocht.
- Algemene bepalingen over geluidhinder en slagschaduw door windturbines in het Activiteitenbesluit en in de Activiteitenregeling zijn geen plan of programma zoals bedoeld in de Smb-richtlijn; voor deze bepalingen hoeft daarom geen plan-MER te worden opgesteld.
- Als de uitbreiding van een vliegveld nog ter discussie staat, hoeft in de omgevingsgeluidberekeningen geen rekening te worden gehouden met cumulatieve geluidseffecten.
- Als het bevoegd gezag alleen de maximale ruimtelijke gevolgen van de windturbines van het voorkeursalternatief aanvaardbaar vindt, dan moeten de planregels garanderen dat de gevolgen van dat alternatief niet worden overschreden. Dat is ook zo als gelijktijdig een omgevingsvergunning voor windturbines is verleend in overeenstemming met het voorkeursalternatief.
- De effecten van een plan op een nabijgelegen NatuurNetwerkNederland-gebied moeten meegewogen worden in de besluitvorming.
NB: De Afdeling heeft op 27 november 2019 een einduitspraak gedaan in deze zaak (
ECLI:NL:RVS:2019:3989). Eerder verscheen op deze website een tussenuitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 (
ECLI:NL:RVS:2010:BL7758).