Conclusies voor de mer-praktijk
- In een mer-beoordeling moeten de milieugevolgen van het project op de omgeving beoordeeld worden. Het gaat daarbij niet om de al bestaande milieugevolgen van de omgeving op het project; deze kunnen niet op zichzelf leiden tot een milieueffectrapportageplicht.
NB: in zijn annotatie (rechts bijgevoegd) is Roel Sillevis Smitt kritisch op deze uitspraak en op een recentere uitspraak met vergelijkbare overwegingen (ABRvS 18 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2026:1544)
Casus
In 2023, 2024 en 2025 hebben het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad en de raad van Zaanstad enkele besluiten genomen voor de bouw van woongebouwen in Zaandam. De bestreden besluiten (een bestemmingsplan, omgevingsvergunning en besluit hogere waarden), die gecoördineerd zijn voorbereid en bekendgemaakt, maken de bouw van twee gebouwen met 120 woningen aan de Badhuisweg 1 mogelijk. Deze locatie ligt op het Zaaneiland op een perceel waarop een kantoorgebouw stond. Dit kantoorgebouw is in 2024 gesloopt.
Appellanten betogen dat de cultuurhistorische waarden en de luchtkwaliteit in het plangebied onvoldoende in de mer-beoordeling zijn betrokken. Wat betreft de luchtkwaliteit wijzen zij op de gevolgen van aanwezige industrie in de omgeving op de woningen.
Overwegingen van de bestuursrechter
De eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit komen van een bron van buiten het plangebied. Deze gevolgen vallen buiten de toetsing van artikel 7.17 van de Wet milieubeheer (
red.: in dat artikel in de voormalige regeling over milieueffectrapportage in de Wet milieubeheer is de procedure en inhoud van de project-mer-beoordeling geregeld).
Wat betreft de mogelijke aantasting van cultuurhistorische waarden volgt de Afdeling de stelling van de raad dat geen milieueffectrapport nodig is.
Uitspraak
Het beroep is ongegrond.