ECLI:NL:RVS:2012:BY1743

Betreft PIP N381 Drachten - Drentse grens
Datum uitspraak 31-10-2012
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden plan-m.e.r., Crisis- en herstelwet (Chw), passende beoordeling, autonome ontwikkeling, stikstofdepositie, Drachten, inpassingsplan, Natura 2000-gebieden
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201201588/1/R4

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Onderzoeksresultaten uit een eerder project-MER mogen in een later plan-MER worden gebruikt.
  • Als voldoende zeker is dat in de autonome ontwikkeling een afname van de stikstofdepositie optreedt, kan deze afname worden meegenomen in de Passende beoordeling voor een plan of project dat een toename van depositie veroorzaakt. Wel moet inzichtelijk zijn gemaakt wat de effecten van deze toename voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen betekenen.

NB 1: De Commissie voor de m.e.r. heeft advies gegeven over het besluit-MER en het plan-MER (P1102 en P2025).

NB 2: Sinds de modernisering van de m.e.r.-regelgeving is de term ‘besluit-MER’ vervangen door ‘project-MER’ en 'besluit-m.e.r.' door 'project-m.e.r.'.

Casus

Op 30 november 2011 hebben Provinciale Staten (hierna: PS) van de provincie Fryslân het provinciale inpassingsplan “N381 Drachten – Drentse grens” (hierna: PIP) vastgesteld. Het plan geeft de juridisch-planologische basis voor de aanpassing van de provinciale weg N381 tussen Drachten en de Drents-Friese grens. Het noordelijke deel van de N381, tussen Drachten en Donkerbroek, kan daardoor dubbelbaans worden. Deels is daarvoor in een omleiding van het huidige tracé voorzien. Ook kunnen ongelijkvloerse kruisingen worden aangelegd.

M.e.r.
Appellant betogen onder andere dat de m.e.r. die voorafgaand aan het inpassingsplan is gedaan, onvolledig en onzorgvuldig is geweest. Er had niet kunnen worden teruggegrepen op de besluit-m.e.r. die van 2000 tot en met 2003 is uitgevoerd. Gelet op sinds die tijd gewijzigde regelgeving, vertraging en wijzigingen in het project zelf, had een nieuwe m.e.r.-procedure moeten worden doorlopen. Nu dit niet is gebeurd, ontbreken essentiële onderdelen in het MER. Daarnaast konden volgens appellant ten onrechte geen zienswijzen tegen het voornemen worden ingediend, zijn betrokken bestuursorganen en adviseurs ten onrechte niet geraadpleegd en is de Commissie m.e.r. ten onrechte niet om advies gevraagd.
PS menen dat het niet nodig was om de voor het eerdere MER verrichte onderzoeken over te doen. Er kon worden volstaan met het aanvullen van het eerdere MER met de ontbrekende gegevens.

Passende beoordeling
Ten aanzien van Natura 2000 betoogt een andere appellant dat hij zich niet kan vinden in de conclusie van de Passende beoordelingen dat geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden plaatsvindt, omdat ten onrechte rekening is gehouden met de autonome afname van stikstofdepositie. Bovendien hadden de door PS voorgestelde maatregelen niet mogen worden betrokken. Tot slot is ten onrechte geen aandacht besteed aan de cumulatie van het project met andere projecten in de omgeving.

Overwegingen van de bestuursrechter
Ad m.e.r.
Al in 2000 was een besluit-m.e.r.-procedure gestart voor de herontwikkeling van de N381. Het besluit-MER was klaar op 1 augustus 2003. De besluit-m.e.r.-procedure is in 2007 heropend, toen twijfels rezen over de financiële en technische haalbaarheid van het voorkeursalternatief uit het eerste MER voor het tracé Donkerbroek-Oosterwolde. De mogelijkheden voor dit tracé zijn nogmaals onderzocht en neergelegd in het aanvullende MER van 17 december 2008.
Omdat een Passende beoordeling moest worden opgesteld voor het inpassingsplan, moest gelet op art. 7.2a, eerste lid, Wm ook een plan-MER worden gemaakt. Het plan-MER was klaar op 21 april 2011. Het plan-MER voor het inpassingsplan heeft de resultaten van het besluit-MER en de aanvullende MER als uitgangspunt genomen. De resultaten zijn aangevuld voor zover zich wijzigingen hebben voorgedaan in feitelijke omstandigheden, wet- en regelgeving of beleid. Ook gaat het plan-MER in op de te verwachten effecten op de Natura 2000-gebieden Wijnjeterper Schar en het Drents-Friese Wold & Leggerveld.
Volgens de Afdeling mochten PS gebruik maken van de resultaten uit de eerdere besluit-m.e.r.-procedure en deze aanvullen en actualiseren. De onderdelen die appellant mist in het plan-MER staan in het besluit-MER van 2003. Deze onderdelen maken onderdeel uit van het plan-MER.

De Afdeling overweegt dat het plan-MER ingaat op het advies van het Wetterskip Fryslân. De conceptnotitie ‘Reikwijdte en detailniveau’ voor de plan-m.e.r.-procedure heeft gelijktijdig met het voorontwerp ter inzage gelegen. Daartegen konden zienswijzen worden ingebracht. Het plan-MER zelf heeft gelijktijdig met het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegen. De Commissie m.e.r. heeft een positief toetsingsadvies gegeven op 25 augustus 2011.
De m.e.r.-procedure is naar het oordeel van de Afdeling voldoende zorgvuldig doorlopen en volledig uitgevoerd.

Ad passende beoordeling
De Afdeling overweegt dat onbetwist is dat ‘in een voldoende mate van zekerheid vaststaat’ dat in de autonome ontwikkeling een afname van de stikstofdepositie optreedt. Bij de beoordeling van de effecten van de herontwikkeling van het inpassingsplan N381 mocht rekening worden gehouden met de autonome afname van stikstofdepositie. Anders dan in de zaak over de Buitenring Parkstad Limburg (ABRvS 7 december 2011, zaaknr. 201011757/1/R1 en 201012728/1/R1) zijn hier de effecten van de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de N381 in relatie tot het betalen van de verbeterdoelstellingen inzichtelijk gemaakt.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (Zuiderklip, ABRvS 7 mei 2008, zaaknr. 200604924/1), mogen mitigerende maatregelen die schadelijk effecten voor habitattypen kunnen voorkomen in de Passende beoordeling worden meegewogen. In tegenstelling tot hetgeen appellanten beweren, is de uitvoering van deze maatregelen verzekerd, omdat in de planregels is bepaald dat de gronden met een verkeersbestemming na aanleg van de N381 en reconstructie, alleen voor doorgaand gemotoriseerd regulier verkeer mogen worden gebruikt als de mitigerende maatregelen in de Passende beoordelingen zijn getroffen en in stand worden gehouden.
De projecten die appellanten aanvoeren als projecten waarmee in cumulatie rekening had moeten worden gehouden, waren nog niet in procedure toen het inpassingsplan werd vastgesteld.
Provinciale Staten mochten terecht concluderen dat het inpassingsplan de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.

Uitspraak
De beroepen zijn, ook met betrekking tot de niet m.e.r.-beroepsgronden, ongegrond.