ECLI:NL:RVS:2022:2557

Betreft Emissiearm stalsysteem melkveehouderijen Driebergen-Rijssenburg, Snelrewaard, Westbroek
Datum uitspraak 07-09-2022
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Hoger beroep
Trefwoorden veehouderij, intern salderen, Voortoets, passende beoordeling, stikstof, Natura 2000-gebieden, Provincie Utrecht, Rav, emissiefactoren, melkveehouderij
Bronnen vindplaats ECLI:NL:RVS:2022:2557, ECLI:NL:RVS:2022:2622, ECLI:NL:RVS:2022:2624
 

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • De Rav-emissiefactoren voor emissiearme stalsystemen A1.13 en A1.28 voor melkveestallen kunnen voorlopig niet worden toegepast in de voortoets of de passende beoordeling voor een natuurvergunning.
NB:
  • Deze samenvatting gaat over drie uitspraken van 7 september 2022 over hetzelfde onderwerp. Het betreft een stal in Driebergen-Rijssenburg (ECLI:NL:RVS:2022:2557), in Westbroek (ECLI:NL:RVS:2022:2622) en in Snelrewaard (ECLI:NL:RVS:2022:2624).
  • De uitspraken gaan over de toepassing van de Wet natuurbescherming. Omdat in milieueffectrapporten regelmatig de Rav-emissiefactoren worden toegepast, zijn de conclusies uit deze uitspraak relevant voor de m.e.r.-praktijk.

Casus

In 2020 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht natuurvergunningen verleend voor het wijzigen van een aantal melkveehouderijen. De melkveehouders hadden nieuwe vergunningen aangevraagd voor het bouwen van melkveestallen met een emissiearm stalsysteem (A1.13 en A1.28). De vergunningen zijn verleend omdat de stikstofdepositie gelijk blijft of afneemt ten opzichte van de referentiesituatie (intern salderen). Het college heeft de emissie berekend met de emissiefactoren uit de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav/Rav-emissiefactor).
Op 22 september 2021 vernietigde de rechtbank de vergunningen. De rechtbank is onder andere ingegaan op het CBS-rapport ‘Stikstofverlies uit opgeslagen mest’ en het advies daarover van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet. Deze publicaties bieden volgens de rechtbank concrete aanknopingspunten dat de Rav-emissiefactoren de werkelijke ammoniakemissie van de stalsystemen waarschijnlijk onderschatten. Daarom is onvoldoende zeker dat de wijzigingen van de veehouderijen als intern salderen gezien kunnen worden en is er dus een passende beoordeling nodig. Hiertegen heeft het college hoger beroep ingesteld.

Overwegingen van de bestuursrechter
De Afdeling komt in deze uitspraak tot dezelfde conclusie als de rechtbank. Die conclusie is dat verschillende onderzoeken concrete aanknopingspunten bevatten dat de Rav-emissiefactoren voor emissiearme stallen in de melkveehouderij de werkelijke ammoniakemissie van deze stalsystemen onderschatten. Uit die onderzoeken volgt ook dat er meer onderzoek nodig is naar de goede werking van die systemen. Zolang daar geen duidelijkheid over is, ontbreekt de vereiste zekerheid om de emissie van de emissiearme stalsystemen met de Rav-emissiefactoren in kaart te brengen.
Een berekening van de emissie met de Rav-emissiefactoren kan daarom nu niet zonder meer worden gebruikt in een voortoets of passende beoordeling voor een natuurvergunning. Het voorzorgbeginsel dat aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn ten grondslag ligt en de strikte uitleg die het Hof van Justitie daaraan geeft, laten geen andere uitkomst toe.

Uitspraak
Het beroep leidt niet tot een ander oordeel over de toepassing van de Rav-emissiefactoren, maar is op een ander punt wel gegrond. Het college moet een nieuw besluit nemen.