ECLI:NL:RVS:2012:BW6381

Betreft Trac├ębesluit Zuid-Willemsvaart
Datum uitspraak 23-05-2012
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden trac├ębesluit, salamitactiek, Zuid-Willemsvaart
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201112625/1/R4

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Wanneer bij de vaststelling van een besluit de voorbereiding van een ander besluit zich pas in de fase van het alternatievenonderzoek in het kader van het MER bevindt, is die ontwikkeling onvoldoende concreet om bij het te nemen besluit te betrekken.

NB De Commissie m.e.r. heeft over het MER geadviseerd onder projectnr. 511.

Casus

Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft de minister een tracébesluit voor de omlegging van de Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen 2011 vastgesteld. Met dit besluit wordt het onherroepelijke tracébesluit van 3 juli 2008 opnieuw gewijzigd. Deze wijziging gaat alleen over het verbreden en verhogen van de brug N279 over de Zuid-Willemsvaart. De toelichting bij het tracébesluit van 2011 vermeldt dat bij het uitwerken van het tracébesluit van 2009 is geconstateerd dat de constructiehoogte van de brug N279 onvoldoende is om te kunnen voldoen aan de technische vereisten. Om deze hoogte te wijzigen was opnieuw een wijzigingsbesluit nodig. Appellanten betogen onder meer dat het tracébesluit van 2011 en de voorbereiding van het provinciale inpassingsplan over verbreding van de N279 (PIP) zodanig met elkaar samenhangen dat de minister ten onrechte niet is overgegaan tot integrale besluitvorming. Door elk besluit afzonderlijk te bezien, hanteert de minister een zogenoemde salamitactiek.

Overige beroepsgronden blijven in deze samenvatting buiten beschouwing.

Overwegingen van de bestuursrechter
Omvang van het geschil in beroep
De Afdeling bestuursrechtspraak bepaalt de reikwijdte waar het geschil in beroep over gaat, en geeft aan dat deze procedure alleen gaat over het tracébesluit van 2011 omdat de eerdere besluit onherroepelijk zijn. Dit betekent dat beroepsgronden over nut en noodzaak van de brug N279, de juistheid van de conclusies van de aanvullende trajectnota/Mer, over de in 1998 door Arcadis uitgevoerde Quick-scan en over het beweerdelijk ontbreken van een afweging in het oorspronkelijke tracébesluit over ecologie, inpassing in het landschap en alternatieven voor de brug N279, buiten het geschil blijven.

Samenhang met andere besluiten
Het betoog dat het tracébesluit van 2011 en de voorbereiding van het PIP zodanig met elkaar samenhangen dat de minister ten onrechte niet is overgegaan tot integrale besluitvorming waardoor salamitactiek wordt toegepast, slaagt niet. Omdat bij de vaststelling van het tracébesluit van 2011 de voorbereiding van het provinciaal inpassingsplan (PIP) zich in de fase van het alternatievenonderzoek in het kader van het MER bevond. Daarom was de omvang van de effecten van een mogelijke verbreding van de N279 op het tracébesluit 2011 nog onduidelijk. Deze ontwikkeling was dus nog onvoldoende concreet om bij het tracébesluit 2011 te kunnen betrekken. De keuze van de minister om de brug N279 te verhogen en te verbreden in het kader van een wijziging van het eerdere tracébesluit zonder het PIP integraal in de besluitvorming te betrekken is niet in strijd met de Tracéwet of andere regelgeving.

Uitspraak
De beroepen zijn ongegrond.