382. Baggerspeciedeponie Limburg

De procedure is gericht op de locatiekeuze (en aanvankelijk ook inrichtingskeuze) voor het storten van baggerspecie die in de komende tien jaar vrijkomt bij het onderhoud van waterlopen en de sanering van waterbodems. Het gaat naar schatting om circa 5,3 miljoen m3 specie (bij berging in water; hetgeen neerkomt op 4,4 miljoen m3 bij berging op land).   

Procedure en adviezen

Richtlijnen
16-09-1991 Datum kennisgeving
16-09-1991 Ter inzage legging van de informatie
20-11-1991 Advies uitgebracht
Advies voor richtlijnen
Richtlijnen a
31-08-1992 Datum kennisgeving
31-08-1992 Ter inzage legging van de informatie
13-11-1992 Advies uitgebracht
Toetsing a
16-02-1996 Kennisgeving MER
16-02-1996 Ter inzage legging MER
Toetsing b
22-05-1996 Toetsingsadvies uitgebracht
Toetsingsadvies

Opmerkingen bij de advisering

Ten behoeve van het opstellen van de startnotitie hebben de initiatiefnemers een locatiestudie laten opstellen, waarin het aantal nader in het MER te onderzoeken locaties teruggebracht wordt van 74 naar 8. In de startnotitie staat aangegeven dat men van plan is de m.e.r. en de besluitvorming gefaseerd uit te voeren; een zogenaamde 'combi-m.e.r.'. Dat wil zeggen dat er sprake is van één m.e.r.-procedure die in twee delen wordt opgesplitst met een formeel tussenbesluit aan het eind van de eerste fase. In deel 1 wordt een locatie-m.e.r. opgesteld. Op basis hiervan vindt besluitvorming plaats over aantal, aard en situering van nieuwe locatie(s) voor een baggerspeciedeponie. Deel 2 betreft de opstelling van een inrichtings-m.e.r. waarin inrichtingsvarianten worden bekeken. 

In haar richtlijnenadvies bracht de Commissie onder andere naar voren dat de voorgestelde fasering naar haar mening niet strikt kan worden gehanteerd, omdat de te beschrijven milieugevolgen ten behoeve van de locatiekeuze ten dele sterk zullen afhangen van de inrichtingskeuzen op een bepaalde locatie. De Commissie stelde daarom voor een fasering te hanteren, waarbij in beide fasen locatie- en inrichtingsaspecten aan de orde zouden komen, maar waarbij men zich in de eerste fase richt op de informatie die nodig is voor het maken van een onderscheid tussen locatiealternatieven. In de tweede fase richt men zich op de absolute omvang en zwaarte van de milieugevolgen. Een tweede opmerking van de Commissie is dat in het voortraject teveel droge locaties afgevallen zijn. Zij stelt voor alsnog één of enkele droge locaties als potentiële locatie bij de afweging te betrekken.

In een aanvullende startnotitie wordt een nieuwe 'droge' locatie voorgesteld om mede te worden beschouwd in het MER voor de locatieafweging. In een brief d.d. 13 november 1992 vraagt de Commissie aan de Provincie tevens aandacht te besteden aan het op de nieuwe droge locatie aanwezige mijnsteendepot, de mogelijke gevolgen hiervan op een baggerspeciebergingsdepot, en aan de mogelijkheid van het optreden van grensoverschrijdende milieugevolgen.

Tijdens het opstellen van het MER besluit de provincie alsnog twee volledige m.e.r.-procedu res te doorlopen voor locatiekeuze en inrichtingskeuze. In het MER voor de locatiekeuze zouden twee inrichtingsvarianten beschouwd worden: een standaardinrichting en een meest milieuvriendelijke inrichting.

Het locatiekeuze-MER werd samen met het concept-ontwerp-besluit Baggerspeciedeponie in februari 1996 bekendgemaakt. In het concept ontwerp-besluit werd geconstateerd, dat uit het MER bleek dat bij een milieuvriendelijke inrichting er geen duidelijke verschillen zijn tussen de te verwachten milieueffecten van natte en droge locaties. Op basis van financiële en logistieke overwegingen werd daarom gekozen voor natte locaties. Binnen de natte locaties werd vervolgens vastgesteld, dat ten aanzien van bodem en grondwater de verschillen tussen locaties gering zijn, dat wat betreft ruimtelijke inpasbaarheid (vooral natuur en wonen) de voorkeur uitging naar de locatie Molengreend, en dat wat betreft het ontgrondingenbeleid (aan welk aspect overigens weinig gewicht werd toegekend) de voorkeur bij de locatie Kuypers lag. Het aspect financiën ten slotte liet weinig verschillen zijn. In het ontwerp-besluit werd, mede op basis van het MER, een voorkeur uitgesproken voor de natte locatie Molengreend.

In haar toetsingsadvies constateerde de Commissie dat – ondanks onzekerheden in de uiteindelijke voorspelde milieueffecten – het MER voldoende informatie bevatte voor een onderlinge vergelijking van locaties. Zij onderschreef de conclusie dat de te verwachten verschillen in milieugevolgen tussen de locaties gering zouden zijn. Wel gaf de Commissie aan dat het MER slecht leesbaar was, vooral door de uitvoerige beschrijving van de uitgevoerde multicriteria-analyse (MCA). De Commissie was van mening dat de meerwaarde van MCA in dit MER gering was: ook zonder MCA had op basis van kwalitatieve informatie geconstateerd kunnen worden dat de milieuverschillen tussen locaties klein waren. Achterwege laten van de MCA had tot een korter, transparanter en daardoor beter leesbaar MER geleid. Voor het inrichtings-m.e.r. wordt om aandacht gevraagd voor het effect van een baggerspeciedeponie op functies in het omringende milieu (in plaats van te volstaan met het beschrijven van emissies) en voor positieve milieueffecten die mogelijk bereikt kunnen worden door het voldoende verondiepen van een natte locatie.

Het vastgestelde besluit is gelijk aan het ontwerpbesluit. De aanbevelingen van de Commissie worden hierin niet expliciet vermeld. Wel spelen beide aanbevelingen een rol in het inrichtings-m.e.r.1. Een evaluatieprogramma wordt niet vastgesteld; dit zal plaatsvinden na uitvoering van het inrichtings-m.e.r.

 

1 Zie project 824. 

 

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

ir. Wil van Duijvenbooden
dr. de Groot
Rik Herngreen
drs. Rob Mooren
drs. Hans Nijssen
ir. John Stans
ir. Stortelder

Voorzitter: ir. Karel Veldhuis
Werkgroepsecretaris: drs. Rob Verheem

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Limburg

Bevoegd gezag
Limburg

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Limburg


Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C18.1 tot 1-4-2011: Beleid over afvalverwijderingsmethode, stort of locaties

Bijgewerkt op: 31 aug 2007