Roel Sillevis Smitt
jurist en werkgroepsecretaris
Papenburg is een havenstad aan de Ems in de Duitse deelstaat Niedersachsen, waar zich een scheepswerf bevindt. Om de Ems tussen de scheepswerf en de Noordzee te kunnen bevaren moeten indien nodig baggerwerkzaamheden plaatsvinden. Voor deze werkzaamheden is op 31 mei 1994 onherroepelijk toestemming verleend.
De Europese Commissie heeft de “Unterems und Aussenems” als gebied van communautair belang opgenomen op haar ontwerp-lijst. Zodra de gebieden op de definitieve lijst staan, moet de lidstaten deze gebieden op nationaal niveau aanwijzen als Natura 2000-gebied. De stad Papenburg heeft een vordering ingediend bij het Verwaltungsgericht Oldenburg om te voorkomen dat de Duitsland instemt met de ontwerp-lijst van de Europese Commissie. In dit kader heeft het Verwaltungsgericht Oldenburg de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie:
Overwegingen van het Europese Hof van Justitie
Daarna stelt het Hof dat doorlopende onderhoudswerkzaamheden in de vaargeul van estuaria, die geen verband houden met of nodig zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied, en die worden voortgezet na de omzettingstermijn van de Habitatrichtlijn, onderworpen moeten worden aan een passende beoordeling als zij een ‘project’ zijn en significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied.
Dat reeds vóór afloop van de omzettingstermijn van de Habitatrichtlijn volgens het nationale recht definitief goedkeuring is verleend, heeft geen invloed op het feit dat elke ingreep in de vaargeul als een afzonderlijk project in de zin van de Habitatrichtlijn kan worden beschouwd. Als dat wel zo zou zijn, dan zouden deze baggerwerkzaamheden bij voorbaat permanent onttrokken kunnen worden aan art. 6, lid 3 Habitatrichtlijn. Daardoor zou dan het doel van de richtlijn, namelijk instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, mogelijk niet volledig kunnen worden gewaarborgd.
In het geval de onderhoudswerkzaamheden beschouwd kunnen worden als één enkele verrichting, kunnen zij gezien worden als één en hetzelfde project in de zin van art. 6, lid 3 Habitatrichtlijn. In dat geval hoeft geen passende beoordeling gemaakt te worden, als voor deze werkzaamheden reeds vóór de afloop van de omzettingstermijn van de richtlijn goedkeuring is verleend. Wel zouden deze werkzaamheden dan onder art. 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn vallen, waarin een algemene beschermingsverplichting is geformuleerd.
Bij het bepalen of sprake is van doorlopende werkzaamheden of van één enkele verrichting, moet rekening gehouden worden met:
Als de werkzaamheden tot doel hebben om de vaargeul op een bepaalde diepte te houden door regelmatige en daartoe noodzakelijke baggerwerkzaamheden, dan kunnen de werkzaamheden aangemerkt worden als één enkele verrichting.