Thema Natuur

Beleid en regelgeving

Zienswijze Commissie op nieuwe Natuurwet

De Commissie heeft een zienswijze op de nieuwe Natuurwet ingediend. De inperking van de wettelijke natuurbescherming kan leiden tot een grotere onderzoekslast in o.a. m.e.r.-procedures. Als de rijksoverheid zich terugtrekt moeten provincies en gemeenten, meer dan voorheen zorgen dat de (internationale) doelen voor natuur gehaald gaan worden. Minder bescherming leidt tot onzekerheid of nieuwe activiteiten wel toelaatbaar zijn, met extra onderzoek en juridische procedures tot gevolg. In de toekomst wordt de natuurbescherming afhankelijker van de planologische bescherming. Daarom pleit de Commissie ervoor de nieuwe natuurwet gelijk op te laten gaan met de nieuwe Omgevingswet. Daarbij ondersteunt de Commissie de gedachte om zoveel mogelijk toetsen te integreren. Een verplichte koppeling van m.e.r. en Passende beoordeling ligt dan voor de hand.

Lees verder in Commissie zienswijze natuur

Jachthavens en de Natuurbeschermingswet

Aanleg van een jachthaven kan een toename van vaarbewegingen in Natura 2000-gebieden veroorzaken. Het MER gaat hier vaak onvoldoende op in. Dit geldt ook vaak voor andere typen recreatiegebieden. De instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn echter door de Natuurbeschermingswet beschermd.

De Commissie signaleert dat in MER'en voor jachthavenprojecten de gevolgen voor beschermde soorten uit Natura 2000-gebieden vaak onvoldoende in kaart worden gebracht. Het is belangrijk in het MER duidelijk in beeld te brengen en te onderbouwen:

  • of door aanleg / uitbreiding van jachthavens het totaal aantal vaarbewegingen in Natura-2000 gebieden toeneemt;
  • of dit verstoring van beschermde soorten tot gevolg heeft of kan hebben;
  • wat deze verstoring betekent voor de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde soorten.

Dit dient om te kunnen bepalen of significant negatieve gevolgen op deze instandhoudingsdoelen kunnen worden uitgesloten.

Natuurbeschermingswet 1998

De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet implementeert het gebiedsbeschermingsregime van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Op basis van deze wet worden onder andere de volgende gebieden beschermd:
- Beschermde natuurmonumenten (art. 16 e.v.)
- Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 19a e.v.)

 

Habitattoets
Als beoordeeld moet worden wat de gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen zijn, dan heet de totale beoordeling: Habitattoets.
De Habitattoets bestaat maximaal uit drie fasen:

1) Oriëntatiefase (voorheen de 'Voortoets'): In deze fase wordt bepaald of er sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Als er geen sprake zal zijn van nadelige gevolgen, ben je gelijk klaar. Als er wel sprake is van nadelige gevolgen, moet beoordeeld worden of die nadelige gevolgen significant kunnen zijn. Indien significante gevolgen al in de oriëntatiefase kunnen worden uitgesloten, dan moet alleen nog een Verslechterings- en Verstoringstoets worden uitgevoerd.

2) Passende beoordeling: In een Passende beoordeling wordt op basis van onderzoek uitgezocht of met zekerheid kan worden gesteld dat er geen aantasting van natuurlijke kenmerken optreedt. Indien die zekerheid niet kan worden verschaft, dus ook bij twijfel hierover, gaat men door naar de derde fase. Indien met zekerheid gesteld kan worden dat er geen aantasting van natuurlijke kenmerken zal optreden, zal de Verslechterings- en Verstoringstoets moeten worden uitgevoerd.

3) ADC-fase: Hierin moeten maximaal drie vragen worden beantwoord:

  • zijn er alternatieven die geen of minder schade toebrengen aan een Natura 2000-gebied; 
  • zijn er dwingende redenen van groot openbaar belang;
  • indien er geen alternatieven zijn, maar wel dwingende redenen van groot openbaar belang, dan zal men moeten compenseren.

 

Cumulatie: Bij de beoordeling van de significantie van de gevolgen van de eigen activiteit in fase 1 en het beoordelen of sprake is van aantasting van natuurlijke kenmerken in fase 2 moeten ook andere projecten of handelingen betrokken worden. Het gaat daarbij om alle projecten of handelingen met mogelijke gevolgen op dezelfde soorten en habitattypen in het hele Natura 2000-gebied waarop ook de eigen activiteit gevolgen heeft.

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn belangrijke richtlijnen voor de bescherming van de natuur in Europa. Beide richtlijnen zorgen voor gebieds- en soortenbescherming.
In Nederland zijn beide richtlijnen geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en in de Flora- en faunawet.

De Vogelrichtlijn beschermt alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europees grondgebied van de lidstaten.
De Habitatrichtlijn beschermt natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten op het Europees grondgebied van de lidstaten.

Gebiedsbescherming
Voor de vogels die in bijlage I van de Vogelrichtlijn zijn opgenomen, worden 'speciale beschermingszones' aangewezen. Op grond van de Habitatrichtlijn worden gebieden aangewezen als speciale beschermingszones als deze belangrijk zijn voor de natuurlijke habitats van bijlage I en/of de inheemse soorten van bijlage II.
Vogelrichtlijngebieden worden direct aangewezen. Habitatrichtlijngebieden worden door de lidstaat aangemeld bij de Europese Commissie, de Europese Commissie plaatst deze op een communautaire lijst en vervolgens wijst de lidstaat de gebieden aan.
De speciale beschermingszones moeten uiteindelijk een coherent Europees ecologisch netwerk vormen, Natura 2000 genaamd. De speciale beschermingszones worden dan ook Natura 2000-gebieden genoemd.
Voor de Natura 2000-gebieden geldt het beschermingsregime zoals dat is opgenomen in art. 6 van de Habitatrichtlijn.

Soortenbescherming
Beide richtlijnen beschermen naast gebieden ook soorten. Voor de natuurlijk in het wild levende vogelsoorten en voor de dier- en plantensoorten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn gelden verbodsbepalingen. Zo is het bijvoorbeeld verboden om deze vogels of diersoorten te doden of te vangen of opzettelijk hun nesten te vernielen. De planten mogen bijvoorbeeld niet opzettelijk worden geplukt.

Hierop bestaan uitzonderingen. Als door een activiteit een verbodsbepaling wordt overtreden is dit toch toegestaan als er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de populatie in gunstige staat van instandhouding blijft. Bijvoorbeeld als de handeling in het belang van de openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna wordt uitgevoerd.

Flora- en faunawet

De bescherming van planten- en diersoorten is in Nederland in de Flora- en faunawet geregeld. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn de verbodsbepalingen in artt. 8-13 en de ontheffingsmogelijkheid in art. 75 het meest relevant.

Deze wet implementeert het soortenbeschermingsregime van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Ecologische Hoofdstructuur

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van natuurgebieden. De EHS is in 1990 geïntroduceerd om de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland te stoppen. Later zijn hieraan de robuuste verbindingen toegevoegd. Een voorbeeld van zo'n verbindingszone is het Oostvaarderswold, het natuurgebied tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe.

Door een structuur te creëren, kan uitwisseling van dier- en plantensoorten plaatsvinden tussen verschillende gebieden, waardoor de biodiversiteit beter in stand kan worden gehouden/kan groeien. De EHS moet in 2018 zijn gerealiseerd.

In de Spelregels EHS is het 'nee, tenzij-beschermingsregime' voor de EHS uitgewerkt. Momenteel wordt gewerkt aan de herijking van het EHS-beleid.


Lees verder in Spelregels EHS

Voorlopig Programma Stikstof

Op 1 juli 2010 heeft de toenmalige minister van LNV het Voorlopige Programma Stikstof aangeboden aan de Tweede Kamer. De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) beoogt een duurzame economische ontwikkeling samen te laten gaan met het op termijn realiseren van de natuurdoelen van Natura 2000. Het Voorlopige Programma beschrijft de contouren van de PAS:

  • vaststelling van de omvang van de huidige stikstofdepositie inclusief de huidige dalende trend en de te verwachte stikstofdepositie op basis van vastgesteld beleid voor 2020 en 2030;
  • ontwikkeling van herstelstrategieën voor stikstofgevoelige habitattypen;
  • voorstellen voor extra maatregelen om de stikstofemissies te beperken op landelijk niveau: er is voortgang geboekt met voorstellen voor extra generiek beleid door met name een pakket maatregelen dat er op gericht is de stikstofemissie van de veehouderij te beperken;
  • uitgangspunten voor de toedeling van ontwikkelruimte;
  • verkenning van de kosten, financiering, monitoring en borging.

Het streven is om de definitieve PAS eind 2011 klaar te hebben.

Lees verder in Voorlopige Programma Stikstof

Natuurbescherming op de Noordzee

Binnen de 12-mijlszone
Op dit moment zijn de Natuurbeschermingwet 1998 (Nb-wet) en de Flora- en faunawet (Ffw) van toepassing op het vaste land en binnen de 12-mijlszone van de Noordzee. Dat betekent de volgende natuurbescherming op de Noordzee:

  • Soortenbescherming in de gehele 12-mijlszone, voor soorten zoals dolfijn, bruinvis, grijze zeehond en een groot aantal vogelsoorten.
  • Gebiedsbescherming in Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Voordelta die beide in de 12-mijlszone zijn gelegen. 

 

Het ministerie van EL&I heeft twee gebieden binnen de 12-mijlszone aangemeld bij de Europese Commissie:

  • de uitgebreide Noordzeekustzone; 
  • de Vlakte van Raan in de monding van de Westerschelde.

Zodra deze gebieden op de communautaire lijst van de Europese Commissie zijn geplaatst, geldt het beschermingsregime van de Nb-wet en kunnen de gebieden nationaal worden aangewezen. Zolang de gebieden alleen nog maar zijn aangemeld, en dus nog niet op de communautaire lijst staan, geldt dat voorkomen moet worden dat activiteiten het beoogde resultaat van de Vogel- en Habitatrichtlijn ernstig in gevaar brengen.

 

In de exclusieve economische zone (EEZ)
De bescherming van natuurwaarden op de Noordzee buiten de 12-mijlszone, in de zogenaamde exclusieve economische zone, vindt nu plaats met behulp van het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 (IBN 2015). Het IBN 2015 wordt als toetsingskader gebruikt bij het verlenen van vergunningen op grond van onder andere de Waterwet, de Mijnbouwwet en de Wet milieubeheer.

 

Natuurbescherming Noordzee in de toekomst

Het ministerie van EL&I wil de toepassing van de Nb-wet en de Ffw uitbreiden naar de exclusieve economische zone (EEZ). Hiervoor moet de wet worden gewijzigd. Zodra de wet is gewijzigd geldt de Ffw binnen de hele EEZ. De Nb-wet zal dan van toepassing zijn op de volgende Natura 2000-gebieden die in de EEZ worden aangewezen:

  • Doggersbank (Habitatrichtlijngebied)
  • Klaverbank (Habitatrichtlijngebied)
  • Friese Front (Vogelrichtlijngebied)

Eind december 2008 zijn de Habitatrichtlijngebieden aangemeld bij de Europese Commissie. Daarna kunnen zij nationaal worden aangewezen. De Vogelrichtlijngebieden kunnen direct aangewezen worden zodra het wetsvoorstel in werking is getreden.

Voor bestaande activiteiten op de Noordzee, die een vergunning hebben waarbij het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 in acht is genomen, verandert er in principe niets door de uitbreiding van de werkingssfeer van de Nb-wet en de Ffw. In het wetsvoorstel is namelijk een artikel opgenomen dat deze bestaande activiteiten zijn uitgezonderd van de vergunningplicht van art. 19d Nb-wet.