ECLI:NL:RVS:2010:BO7341

Betreft Geluidzone Kop van Broeklanden
Datum uitspraak 15-12-2010
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden bestemmingsplannen, bedrijventerreinen, samenhang, m.e.r.-richtlijn, bijlage III, m.e.r.-beoordeling, drempelwaarde
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 200903460/1/R3
JM 2011, 22 met noot Hoevenaars
M en R 2011, 36

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Het volgende hoeft niet te worden meegenomen in de oppervlakteberekening voor de m.e.r.-(beoordelings)plicht:
    • zonering (ook al is deze wettelijk verplicht);
    • een bestaande weg die door de voorgenomen activiteiten ongewijzigd blijft;
    • een waterberging die volgens het waterbeheerplan niet is bedoeld voor een bedrijventerrein.
  • Bedrijventerreinen die direct naast elkaar liggen aan weerszijden van eenzelfde ontsluitingsweg, moeten in het kader van de m.e.r.-(beoordelingsplicht) als één voorgenomen activiteit worden aangemerkt.
  • De ligging van Natura 2000-gebieden op meer dan vier kilometer afstand is in casu geen andere factor die toch aanleiding geeft tot een m.e.r.-beoordeling.

NB Deze uitspraak is in lijn met de uitkomst van het Hofarrest van 15 oktober 2009

Casus

De gemeenteraad van Hardenberg heeft de bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Kop van Broeklanden’ en ‘Geluidzone Bedrijventerrein Kop van Broeklanden’ vastgesteld.

Over m.e.r. zijn de volgende beroepsgronden aangevoerd:

  • ten onrechte is geen MER opgesteld, omdat appellanten vinden dat
    1) het plan in samenhang met het ten zuiden ervan voorziene bedrijventerrein Broeklanden-Zuid moet worden gezien;
    2) ook de geluidzones om beide bedrijventerreinen in de berekening van de oppervlakte van het bedrijventerrein moeten worden betrokken;
    3) de ontsluitingsweg en de verderop gelegen waterberging hadden moeten worden betrokken bij de m.e.r.-beoordeling;

  • ook als geen sprake zou zijn van een directe MER-plicht omdat de drempelwaarden niet worden overschreden, had moeten worden gekeken naar andere factoren die aanleiding geven tot het opstellen van een MER, zoals de nabijheid van Natura 2000-gebieden en de omstandigheid dat het plangebied in een ecologische verbindingszone lijkt te liggen.

Overwegingen van de bestuursrechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt als volgt over de m.e.r.-beroepsgronden.

Samenhang bedrijventerreinen
De bedrijventerreinen Broeklanden-Zuid en Kop van Broeklanden liggen in elkaars directe nabijheid aan weerszijden van de weg die als ontsluiting van beide terreinen dient. Volgens de Afdeling is hiermee sprake van zodanige samenhang dat de terreinen in het kader van de m.e.r.-(beoordelings)plicht als één voorgenomen activiteit moeten worden aangemerkt.

Welke aspecten moeten worden meegenomen in de oppervlakteberekening?
Allereerst signaleert de Afdeling dat in de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit m.e.r. 1994 wordt opgemerkt dat wettelijk verplichte zonering als geluids- en veiligheidszonering tot de oppervlakte van een bedrijventerrein moet worden gerekend. Uit het Besluit m.e.r. 1994 (incl. bijlage) leidt de Afdeling echter af dat alleen de oppervlakte van het terrein zelf moet worden meegenomen. De Afdeling ziet geen reden om meer gewicht aan de totstandkomingsgeschiedenis dan aan de tekst van het Besluit m.e.r. 1994 zelf toe te kennen. De gemeenteraad mocht de geluidzones dus buiten beschouwing laten bij de oppervlakteberekening.
Wat betreft de weg tussen beide terreinen overweegt de Afdeling dat deze weg al lang geleden is gerealiseerd en door de plannen ongewijzigd blijft. De gemeenteraad hoeft deze weg dan ook niet mee te rekenen bij de oppervlakte van het bedrijventerrein.

Omdat de door appellanten bedoelde waterberging volgens het waterbeheerplan niet is bedoeld als waterberging voor het bedrijventerrein Broeklanden-Zuid, heeft de gemeenteraad deze terecht niet betrokken bij de oppervlakteberekening.

Andere factoren Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn?
Nu de totale oppervlakte van de voorgenomen activiteit 72,3 hectare bedraagt, wordt de drempelwaarde van 75 hectare niet overschreden. Volgens de Afdeling zijn er geen andere factoren waardoor - gelet op de Hof-uitspraak van 15 oktober 2009 – toch een m.e.r.-beoordeling had moeten worden gemaakt. De ligging van Natura 2000-gebieden op meer dan vier kilometer afstand leidt niet tot een ander oordeel. Daarnaast heeft de appellant niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheid om een ecologische verbindingszone te realiseren door de voorgenomen activiteiten onaanvaardbaar wordt beperkt. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de aard van de bedrijvigheid aanleiding geeft tot een m.e.r.-beoordeling.

Gelet hierop kon de gemeenteraad zich op het standpunt stellen dat ten behoeve van het plan geen m.e.r.(-beoordeling) hoefde te worden gemaakt.

Uitspraak
De (m.e.r.-)beroepsgronden zijn ongegrond.