201606977/1/R3

Betreft Ontgrondingsvergunning Weert
Datum uitspraak 28-06-2017
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden ontgrondingen, zandwinning, Natura 2000-gebieden, recreatiegebieden, grondwater, Weert, m.e.r.-beoordeling, m.e.r.-plicht
Bronnen vindplaats

ECLI:NL:RVS:2017:1720

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • De verdere verdieping van een bestaande vergunde ontgronding valt onder de categorie ‘winning van oppervlaktedelfstoffen’ uit het Besluit m.e.r.

Casus

Op 28 juli 2016 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg de vergunning gewijzigd die op 18 december 2014 aan Centrale Zandwinning Weert B.V. is verleend. De vergunning ziet op het ontgronden van percelen in het gebied IJzeren Man in Weert. Door de wijziging kan dieper worden ontgrond dan in de oorspronkelijke vergunning. Ook mogen door de wijziging enkele ondiepe plassen en een diepe recreatieve plas worden aangelegd in het westelijk deel van het gebied, waar kan worden gedoken. Oorspronkelijk waren vier ondiepe plassen vergund.

 

M.e.r.-plicht
Appellanten voeren aan dat een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt. Volgens hen kan de ontgronding van het westelijk deel niet los gezien worden van het oostelijke deel, omdat de effecten voortkomen uit de ontgronding in het hele gebied. Zij betogen dat de gewijzigde vergunning betrekking heeft op zowel het oostelijk als het westelijk deel van het gebied.
Volgens het college is er geen m.e.r.-plicht, omdat het aantal hectares dat wordt ontgrond niet wijzigt ten opzichte van de eerder verleende vergunning. Bovendien is de ontgronding in het oostelijke deel van het gebied feitelijk al klaar.

 

M.e.r.-beoordeling
Appellanten voeren verder aan dat de conclusie van de m.e.r.-beoordeling had moeten zijn dat de vergunning belangrijke nadelige gevolgen heeft op de hydrologie in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Volgens appellanten zijn die effecten onvoldoende meegewogen in de m.e.r.-beoordeling. Zij vrezen negatieve effecten op natuur die gevoelig is voor verdroging, door grondwaterstandverlagingen in de omgeving van het ontgrondingsgebied. Ook vrezen zij negatieve gevolgen voor de grondwaterkwaliteit door de aanvoer van baggerspecie van elders.

 

Overwegingen van de bestuursrechter
M.e.r.-plicht
De Afdeling constateert dat de vergunning betrekking heeft op de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de bodem in een gebied van 62 hectare. De grens van de vergunning ligt om zowel het oostelijke als het westelijke deel van het gebied. Deze grens is niet gewijzigd ten opzichte van de oorspronkelijke vergunning. Met de wijziging mag alleen in het westelijke deel dieper worden ontgrond. In het oostelijk deel is dat niet gewijzigd.


In de gewijzigde vergunning is een voorwaarde opgenomen dat een definitief plan van de eindtoestand ingediend moet worden. Deze voorwaarde ziet op het totale gebied. Voor het oostelijk gebied betekent het dat twee landtongen niet zullen worden aangelegd en dat een scheiding tussen het oostelijk en westelijk deel zal worden aangelegd voor onder andere een strand.


Partijen zijn het erover eens dat in het oostelijk deel de ontgrondingen feitelijk klaar zijn en dat de maximale diepte en oppervlakte zoals vergund, benut zijn. Alleen het gedeelte van het gebied waar de verwerkingsinstallatie staat, moet nog ontgrond worden.
 

De Afdeling overweegt dat de drempelwaarde in het Besluit m.e.r. alleen betrekking heeft op de winning van oppervlaktedelfstoffen en niet op de herinrichtingswerkzaamheden. De herinrichtingswerk-zaamheden, in dit geval de aanleg van twee stranden, zijn geen m.e.r.-plichtige activiteiten. De gewijzigde vergunning brengt geen wijzigingen in het oostelijke deel van het gebied. Omdat de werkzaamheden daar feitelijk zijn afgerond, is de oorspronkelijke vergunning in dat deel al verwerkt. Het westelijk deel is een gebied dat kleiner is dan de drempelwaarde van 25 hectare voor de activiteit ontgronden. Van een m.e.r.-plicht is daarom geen sprake.

 

M.e.r.-beoordeling
In het kader van de m.e.r.-beoordeling is een aanmeldingsnotitie opgesteld met het rapport Hydrologische effectenstudie wijziging zandwinning Weert. Volgens dat rapport kunnen zowel in de tijdelijke als in de eindsituatie nadelige grondwaterstandverlagingen in de bosstrook langs het kanaal en in het landbouwgebied worden voorkomen. Daarnaast treden geen grondwaterverlagingen op in het Natura 2000-gebied. Naar verwachting zal de gewijzigde eindsituatie gunstiger zijn dan het oorspronkelijke eindplan door realisatie van een robuuste waterbuffer. Bij de aanmeldingsnotitie is ook het rapport Passende beoordeling Centrale Zandwinning Weert gevoegd. Ook daarin wordt geconcludeerd dat door de vergunning het Natura 2000-gebied niet verdroogt. Van nadelige effecten door stikstofemissie is geen sprake.


Het college heeft in het besluit ook de belangrijkste mogelijke effecten afgewogen. Het gaat daarbij om effecten op bodemkwaliteit, archeologie, cultuurhistorie/landschap, hydrologie, luchtkwaliteit, (lucht)verkeer, geluid, externe veiligheid en natuur. Geconcludeerd wordt dat die effecten gering van omvang zijn en dat nadelige gevolgen voor het milieu uitgesloten zijn.


De aanleg van de waterbuffer uit de hydrologische effectenstudie is als voorwaarde in de vergunning opgenomen en inmiddels gerealiseerd. De Afdeling vindt het voldoende gewaarborgd dat ongewenste grondwaterstandverlagingen zich niet zullen voordoen.


Zij ziet geen redenen waarom het college zich niet op het hydrologische rapport had mogen baseren. De Afdeling oordeelt verder dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat het grondwater zou vervuilen door de maximaal toelaatbare aanvoer van baggerspecie.

 

Uitspraak
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.

Documentatie