C-531/13

Betreft HvJ exploratieboring Oostenrijk
Datum uitspraak 11-02-2015
Rechtsprekende instantie  Europese Hof van Justitie
Proceduresoort Prejudiciƫle beslissing
Trefwoorden boringen, cumulatieve effecten, milieueffectrapportage-richtlijn (m.e.r.-richtlijn)
Bronnen vindplaats

ECLI:EU:C:2015:79
JM 2015,53 met noot Wagenmakers

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Een exploratieboring is wel een commerciële activiteit, maar valt niet onder de omschrijving van categorie 14, bijlage I van de M.e.r.-richtlijn.
  • Een exploratieboring kan onder de omschrijving van categorie 2, onder d, van bijlage II van de M.e.r.-richtlijn vallen.
  • In de m.e.r.-beoordeling van een diepboring moeten niet alleen de cumulatieve effecten met gelijksoortige projecten binnen de gemeentegrens betrokken worden.

Casus

Op 11 februari 2015 heeft het Hof uitspraak gedaan op drie prejudiciële vragen die zijn ingediend door het Verwaltungsgerichtshof. Het hoofdgeding heeft betrekking op het beroep van de Marktgemeinde Straβwalchen (gemeente Straβwalchen) en 59 andere verzoekers tegen het besluit van de Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend over het verlenen van een vergunning aan Rohöl-Aufsuchungs AG om op het grondgebied van de Marktgemeinde Straβwalchen een exploratieboring te verrichten.

De vergunning ziet op een exploratieboring tot een diepte van 4150 meter en, bij het mislukken van de exploratie, op het herstel van het terrein. Het project is niet aan een m.e.r.-beoordeling onderworpen. Daarnaast heeft Rohöl-Aufsuchungs AG een vergunning voor een testproductie van aardgas voor maximaal 1.000.000 m3 om zich te verzekeren van de rendabiliteit van eventueel aangetroffen koolwaterstoffen.

Verzoekers in het hoofdgeding aangevoerd dat de vergunning voor de exploratieboring niet zonder m.e.r. verleend had mogen worden. Zij menen dat uit punt 14 van bijlage I bij de M.e.r.-richtlijn volgt dat de winning van aardolie en aardgas voor commerciële doeleinden boven de vermelde drempelwaarde m.e.r.-plichtig zijn. Daaruit blijkt namelijk dat de ‘commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500.000m3 aardgas per dag bedraagt’ m.e.r.-plichtig is.

Het Verwaltungsgerichtshof heeft twijfels of er sprake is van commerciële winning, omdat de vergunning beperkt is tot een maximum hoeveelheid te winnen koolwaterstoffen en daarom alleen de winstgevendheid van een vindplaats kan worden beoordeeld. Ook constateert het Verwaltungsgerichtshof dat in punt 14 geen precisering is aangebracht of het gaat om een ‘per boorgat’ gewonnen hoeveelheid aardolie en aardgas. In het Oostenrijkse recht is dat wel vermeld, zodat bij de vergunningverlening geen rekening is gehouden met andere boringen in de regio bij het bepalen van de drempelwaarde. De verwijzende rechter vraagt zich af of daarnaast rekening gehouden moet worden met de cumulatieve effecten van gelijksoortige projecten.

Prejudiciële vragen

  1. Gaat het bij een in tijd en hoeveelheid beperkte testproductie van aardgas in het kader van een exploratieboring ter vaststelling van winstgevendheid van een permanente winning van aardgas om commerciële winning van aardgas als bedoeld in punt 14, van bijlage I van de M.e.r.-richtlijn?
  2. Als het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, is dan het Oostenrijkse recht in strijd met de M.e.r.-richtlijn, nu het Oostenrijkse recht de drempelwaarde verbindt aan de productie per boorgat?
  3. Moeten in de m.e.r.-beoordeling over een exploitatieboring alleen de cumulatieve effecten met gelijksoortige projecten binnen de gemeente betrokken worden?

Overwegingen van het Hof

Het Hof overweegt dat een exploratieboring per definitie voor commerciële doeleinden wordt gedaan. Dat zou slechts anders zijn als de boring voor wetenschappelijke onderzoek wordt gedaan en niet ter voorbereiding van een economische activiteit.

Uit de context en de doelstelling van punt 14 van bijlage I van de M.e.r.-richtlijn volgt echter dat die bepaling niet van toepassing is op exploratieboringen.

De exploratieboring ziet namelijk op een bepaalde maximale hoeveelheid te winnen aardgas (van in dit geval twee maal de drempelwaarde) en niet op een hoeveelheid te winnen aardgas per dag over een langere periode.

Daarnaast staat niet bij voorbaat vast of op de plek van de exploratieboring inderdaad aardgas aanwezig is en of deze commercieel ontginbaar is. Alleen aan de hand van de exploratieboring kan immers worden vastgesteld hoeveel aardgas per dag kan worden gewonnen. Bovendien zijn de duur van de testperiode en de hoeveelheid beperkt tot wat technisch noodzakelijk is om de ontginbaarheid aan te tonen.

Niet alle exploratieboringen vallen echter buiten de werking van de M.e.r.-richtlijn. Deze kunnen ook vallen onder de categorie ‘diepboringen’ als bedoeld in punt 2, onder d, van bijlage II van de M.e.r.-richtlijn. Die bepaling geeft geen uitputtende opsomming van de verschillende soorten boringen. De exploratieboring als hier aan de orde, gericht op het vaststellen van de commerciële ontginbaarheid van een vindplaats tot 4150 meter diep, is een diepboring in de zin van punt 2, onder d, van bijlage II van de M.e.r.-richtlijn en om die reden m.e.r-beoordelingsplichtig.

Omdat het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, beantwoordt het Hof de tweede vraag niet.

In antwoord op de derde vraag overweegt het Hof dat de exploratieboring m.e.r.-beoordelingsplichtig is en dat bij m.e.r.-beoordelingen de criteria uit bijlage III van de M.e.r.-richtlijn moeten worden betrokken. De verplichting om de effecten van een bepaald project in cumulatie met andere projecten te onderzoeken, heeft niet alleen betrekking op gelijksoortige projecten. Ook mag de beoordeling niet afhangen van de gemeentegrenzen. Het Hof verwijst in dat verband naar het arrest Umweltanwalt von Kärnten, EU:C:2009:767, punt 55, waarin is uitgemaakt dat het gedeelte van het project dat in een andere lidstaat is gelegen, tevens betrokken moet worden in het MER.

Uitspraak
Het Hof oordeelt ontkennend op de eerste en de derde vraag en beantwoordt de tweede vraag niet.