201307575/1/R2

Betreft Bestemmingsplan buitengebied gemeente Oldebroek
Datum uitspraak 05-03-2014
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden bestemmingsplannen, buitengebied, Oldebroek, maximale mogelijkheden, stikstofdepositie, actualiteit
Bronnen vindplaats

ECLI:NL:RVS:2014:790

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Een MER dat is opgesteld voor een eerder plan mag voor een nieuw plan worden gebruikt, mits het MER ingaat op de effecten van dat nieuwe plan.
  • Een plan-MER met alleen een kwalitatieve omschrijving van de verwachte toename van de stikfstofdepositie voor een groter gebied, is onvoldoende voor de onderbouwing van de milieugevolgen van de uitbreiding van intensieve veehouderij op een specifiek perceel.

Casus

De gemeente Oldebroek heeft op 4 juli 2013 een bestemmingsplan vastgesteld voor het perceel Veenweg 20 te Oldebroek. Dit plan is een wijziging van de juridisch planologische regeling die is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’.

Appellanten voeren onder ander aan dat ten onrechte geen plan-MER is opgesteld. Het plan maakt een grote uitbreiding van het aantal dieren mogelijk op het perceel Veenweg 20, waarmee het totale aantal dieren dat er kan worden gehouden, boven de drempel voor het opstellen van een MER uitkomt.

Ook voeren ze aan dat het plan-MER voor het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ onvoldoende is om ook de milieueffecten van het voorliggende plan te kunnen overzien, omdat daarin geen rekening is gehouden met de uitbreiding.

Volgens de gemeenteraad voorziet het plan niet in nieuwe uitbreidingsmogelijkheden en biedt het plan-MER voor het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ voldoende inzicht voor de veehouderij op het genoemde perceel.

Overwegingen van de bestuursrechter

Het voorheen geldende bestemmingsplan voorziet voor het perceel in een bouwvlak van 13.914m2. Op dit bouwvlak is agrarische bedrijfsbebouwing met een maximale goothoogte van 6m en een maximale bouwhoogte van 10m toegestaan.  Voor niet-grondgebonden agrarische activiteiten, waaronder intensieve veehouderij, geldt een beperking tot maximaal 250m2.

De beperking tot maximaal 250m2 voor intensieve veehouderij is vervallen in het voorliggende plan. Dat de beperking in het voorgaande plan abusievelijk was opgenomen, is volgens de afdeling niet relevant.

Niet in geschil is dat op het bouwvlak van 13.914m2 een installatie voor het fokken, mesten of houden van meer dan 3000 mestvarkens of 900 zeugen mogelijk is. De drempel van categorie C14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt daarmee overschreden. Het plan is daarom plan-m.e.r.-plichtig.

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak is in het plan-MER voor het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ niet inzichtelijk gemaakt hoe de alternatieven zich verhouden tot de intensieve veehouderij op het perceel Veenweg 20.

De Commissie voor de m.e.r. heeft in het toetsingsadvies destijds opgemerkt dat de verwachte toename van stikstofdepositie door de uitbreidingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, in het MER alleen kwalitatief zijn omschreven. Daarvoor zijn geen berekeningen gemaakt. Volgens de Commissie blijft daarom onzeker in hoeverre uitbreiding kan plaatsvinden zonder significant nadelige gevolgen.

Volgens de Afdeling heeft de gemeenteraad niet het MER voor het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ kunnen gebruiken bij de vaststelling van het bestemmingsplan voor het perceel Veenweg 20, omdat het onvoldoende inzicht biedt in de milieugevolgen van dit plan.

Uitspraak

De Afdeling verklaart de beroepen gegrond en vernietigt het besluit van de gemeenteraad.