201306769/1/R6

Betreft Inpassingsplan ‘Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard’
Datum uitspraak 20-08-2014
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden inpassingsplan, bedrijventerreinen, vergisting, windturbines, alternatievenonderzoek, landschap, Ridderkerk, Barendrecht
Bronnen vindplaats

ECLI:NL:RVS:2014:3060
JM 2014, 122 met noot Van Velsen

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Het locatiealternatievenonderzoek kan voor een deel in een ruimtelijke verkenning plaatsvinden.
  • Het locatiealternatievenonderzoek uit een eerder MER hoeft niet in een nieuw MER te worden betrokken als dat eerdere MER niet voor hetzelfde besluit is opgesteld.
  • Als gemotiveerd is dat een vergister dicht bij de bron moet komen te staan, hoeven geen locatiealternatieven buiten het plangebied in het MER te worden bekeken.
  • Als het MER van een bepaalde maximale hoogte en ashoogte van windturbines uitgaat die overeenkomt met de maximale mogelijkheden van een plan, dan kan dat MER aan het plan ten grondslag worden gelegd.
  • Als in het MER onderzocht is dat geen aantasting van landschappelijke waarden plaatsvindt, hoeft geen zichtbaarheidsanalyse te worden gemaakt.

Casus

Op 26 juni 2013 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland het inpassingsplan ‘Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard’ gewijzigd vastgesteld. Het plan maakt een agrologistiek bedrijventerrein mogelijk van ongeveer 96 ha in de gemeenten Ridderkerk en Barendrecht, en daarnaast de aanpassing van infrastructuur in de omgeving, een interne verbindingsweg met bestaande bedrijventerreinen, een groene zone, drie windturbines en een biomassa-vergistingsinstallatie. Voor het inpassingsplan is een MER opgesteld. Dit MER is een plan-MER voor zover het betrekking heeft op de vergister en een besluit-MER voor zover het betrekking heeft op een bedrijventerrein van meer dan 75 ha.

De keuze voor de locatie Nieuw Reijerwaard is gebaseerd op een ruimtelijke verkenning uit 2007, waarin een locatiestudie is gemaakt voor het niet-gerealiseerde bedrijventerrein Hoeksche Waard.

Er is in een groot zoekgebied gekeken naar alternatieve locaties, uitgaande van havengerelateerde bedrijvigheid. Alternatieven voor Hoeksche Waard zijn beoordeeld aan de hand van onder meer multimodaliteit, kosten, ligging ten opzichte van waardevol landschap en de gevolgen voor de leefomgeving. De locatiekeuze voor Nieuw Reijerwaard is vastgelegd in de provinciale structuurvisie, waartoe een plan-MER was opgesteld.

Appellanten voeren ten aanzien van m.e.r. aan dat in het MER ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar locatiealternatieven. Zij menen in dat verband dat artikel 1.11, eerste lid, van de Chw in strijd is met de M.e.r.-richtlijn. Ook zou dat artikel geen grond bieden voor het achterwege laten van een alternatievenonderzoek, omdat het betrekking heeft op een besluit-MER en niet een plan-MER. In de verkenning zouden de milieugevolgen onvoldoende zijn meegewogen en de onderzoeksgegevens verouderd. In het plan zou in strijd met de Smb-richtlijn de locatiekeuze voor de vergister onvoldoende onderbouwd zijn. Volgens appellanten had ook het eerder gedane locatieonderzoek in het MER voor Hoekse Waard betrokken moeten worden.

Een alternatief van de appelanten had volgens hen in het MER moeten worden betrokken. Ook zou onvoldoende onderzoek naar geur en trillinghinder gedaan zijn.

Wat betreft de windturbines menen zij dat het akoestisch onderzoek niet uitgaat van de maximale mogelijkheden van het inpassingsplan en dat de turbines de horizon vervuilen. Andere appellanten voeren aan dat een zichtbaarheidsanalyse in het MER had moeten worden uitgevoerd vanwege de bouwhoogtes van bedrijfsgebouwen.

Ook menen zij dat geen inzicht is gegeven in het nadere onderzoek naar de purperreigers.

Overwegingen bestuursrechter
De Afdeling overweegt dat de M.e.r.-richtlijn is omgezet in het Nederlandse recht en dat doorwerking van de richtlijn in beginsel plaatsvindt via het nationale recht. Door appellanten is onvoldoende gemotiveerd waarom de richtlijn onjuist of onvolledig omgezet zou zijn. Afgezien daarvan is de locatiekeuze in navolging van het advies van de Commissie m.e.r. nader onderbouwd in een aanvulling op het MER. De vraag of artikel 1.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw in strijd is met de M.e.r.-richtlijn hoeft daarom volgens de Afdeling niet beantwoord te worden.

De keuze voor de locatie Nieuw Reijerwaard is het gevolg van vele onderzoeken en beleidsstukken, waaronder de ruimtelijke verkenning en de provinciale en gemeentelijke structuurvisies. Naar aanleiding van de uitkomsten van de ruimtelijke verkenning is volgens de aanvulling op het MER een drietal locaties vergeleken. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de ruimtelijke verkenning gebrekkig of verouderd is, waardoor er in het MER niet op zou mogen worden aangesloten. Het alternatief van de appellanten is door provinciale staten gemotiveerd buiten beschouwing gelaten. Appellanten hebben niet duidelijk gemaakt waarom die motivering niet zou kloppen.

Het locatieonderzoek en MER voor de Hoekse Waard hebben plaatsgevonden ter voorbereiding van een besluit over een bedrijventerrein op die locatie en niet ten behoeve van het inpassingsplan. Het eerdere locatieonderzoek voor een andere locatie hoeft daarom niet in het MER te worden meegenomen.

In het MER is gemotiveerd dat de vergister in de directe omgeving van de bron zou moeten staan gelet op de grote hoeveelheid te verwerken biomassa en de milieubelasting bij transport. De Afdeling meent dat locaties buiten het plangebied niet in beschouwing hoefden te worden genomen. De keuze voor een vergister, de mogelijke geurhinder en de gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn voldoende beschreven in het MER.

Over geluidhinder van de windturbines merkt de Afdeling op dat het MER uitgaat van de maximale afmetingen in het inpassingsplan en een representatief type turbine.

De vliegroutes van de purperreiger zijn naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r. nader bekeken. Omdat er geen vliegroutes over of in de directe omgeving van het plangebied zijn, treden volgens de plantoelichting geen effecten op voor trekkende purperreigers. Bovendien zijn geen purperreigers in het plangebied gesignaleerd. De enkele stelling van appellant dat het gebied populair is bij de purperreiger is hiervoor onvoldoende. Volgens de Afdeling is het aannemelijk dat ook voor de purperreiger de Flora- en Faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In het MER is ingegaan op visuele hinder en landschappelijke inpassing. Daarin staat dat er geen aantasting van landschappelijke waarden is. Het plan voorziet in een groene zone tussen de woningen en het bedrijventerrein en de bouwhoogtes direct grenzend aan de groene zone lopen geleidelijk op. Volgens de Afdeling mocht een zichtbaarheidsanalyse in het MER daarom achterwege blijven.

Uitspraak
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart de beroepen ongegrond.
Het inpassingsplan wordt echter gedeeltelijk op andere gronden vernietigd.