2197. Monitoring aardgaswinning onder de Waddenzee vanaf locaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen

Monitoring van de Gaswinning onder de Waddenzee.

Procedure en adviezen

Toetsing
01-01-2009 Aanvraag toetsingsadvies bij de Commissie m.e.r.
30-03-2010 Toetsingsadvies uitgebracht
Persbericht advies 2010
Toetsingsadvies

Opmerkingen bij de advisering

 

Het Rijksbesluit Gaswinning onder de Waddenzee vanaf de locaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen (hierna het Rijksprojectbesluit) geeft de Nederlandse aardolie Maatschappij (NAM) B.V. de mogelijkheid om onder randvoorwaarden aardgas te produceren in het Waddenzeegebied uit de zes velden Moddergat, Nes, Lauwersoog C, Lauwersoog West, Lauwersoog Oost en Vierhuizen Oost.

De randvoorwaarde is dat de (dynamische) natuur in en rondom de Waddenzee niet wordt aangetast door bodemdaling als gevolg van de gaswinning. Mocht dit wel het geval zijn dan wordt de gaswinning beperkt of gestopt. Dit is het zogenaamde "hand aan de kraan" principe.

Om te bepalen of deze randvoorwaarde wordt overschreden is in het Rijksprojectbesluit bepaald, dat de bodemdaling en de natuurwaarden moeten worden gemonitord door de NAM. De NAM rapporteert jaarlijks over de monitoring aan de ministers van Economische Zaken (EZ) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In het Rijksprojectbesluit is tevens bepaald dat de Commissie voor de milieueffectrapportage (m.e.r.), als onafhankelijke auditor, onder de naam van "Auditcommissie gaswinning onder de Waddenzee", de ministers jaarlijks zal adviseren over deze Rapportage.

De NAM concludeert volgens de Auditcommissie terecht op basis van de monitoring over 2009 dat de bodemdaling als gevolg van gaswinning in de Waddenzee binnen de vastgestelde grenzen blijft. Daarmee wordt aan de belangrijkste voorwaarde voor de winning voldaan. Om in de toekomst de goede conclusies te kunnen trekken over mogelijke effecten op natuur moet het monitoringsprogramma volgens de Auditcommissie verder uitgewerkt worden. 

De wetenschappelijke opzet van de monitoring van de natuurwaarden is wel een belangrijk aandachtspunt. Want gebreken in de opzet kunnen later leiden tot problemen bij de interpretatie van de meetresultaten en zijn moeilijk te herstellen. Nu is nog niet duidelijk wanneer veranderingen in natuurwaarden kunnen worden toegeschreven aan de bodemdaling. De Auditcommissie geeft twee hoofdpunten voor verbetering van het monitoringsprogramma van natuurwaarden:

  • Het (beter) onderbouwen en optimaliseren van de afzonderlijke onderdelen van het programma.
  • Het versterken van de samenhang tussen de onderdelen van het monitoringsprogramma.

In de rapportage 2009 wordt een aantal mogelijkheden gegeven voor verbetering en wordt aangegeven dat de komende jaren verder gewerkt wordt aan een integrale rapportage. De Auditcommissie ziet dit als een goede volgende stap naar een integrale rapportage en adviseert om bij de volgende rapportages een verdere integratie van programmaonderdelen prioriteit te geven

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

dhr. prof. dr. P.L. de Boer
dhr. dr. K. Essink
dhr. dr. F.H. Everts
mw. mr. dr. A. Freriks
dhr. dr. C.J. Hemker
dhr. prof.dr. J.H.J. Terwindt
dhr. prof.ir. J.J. van der Vuurst de Vries
dhr. drs. J. van der Winden

Voorzitter: dhr. dr.ir. G. Blom
Werkgroepsecretaris: dhr. drs. B.F.M. Beerlage

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Nederlandse Aardolie Maatschappij BV (NAM)

Bevoegd gezag
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Overige gegevens

Gebied: Nederland, niet provinciaal ingedeeld gebied


Categorieën Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
006 Géén m.e.r., wel advies van Commissie gevraagd

Bijgewerkt op: 26 nov 2018