114. Westerschelde-oeververbinding

Het voornemen behelst realisering van een vaste oeververbinding over de Westerschelde in de vorm van een brug of tunnel of combinaties daarvan. 

Procedure en adviezen

Richtlijnen
02-12-1987 Datum kennisgeving
10-02-1988 Advies uitgebracht
Advies voor richtlijnen
Toetsingsadvies
Toetsing
26-02-1990 Datum kennisgeving
11-06-1990 Advies uitgebracht

Opmerkingen bij de advisering

Nadat in 1977 het tracé voor een vaste oeververbinding tussen Kruiningen en Perkpolder was vastgesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat (V&W) vond een heroverweging van de uitvoering van dit besluit plaats. De opstelling van een haalbaarheidsstudie met inschakeling van particulier initiatief in het begin van 1987 leidde tot de start van een nieuwe besluitvormingsprocedure met m.e.r. over de aanleg van een vaste oeververbinding met als doelstelling "het verbeteren van de verkeersplanologische positie van Zeeuwsch-Vlaanderen in zijn totaliteit door het op korte termijn tot stand brengen van een vaste verbinding tussen dit gebied en Midden-Zeeland" en als nevendoelstelling "het bieden van een verbinding van ten minste autowegniveau tussen Rijksweg A58 in Midden-Zeeland en Rijksweg N61 in Zeeuwsch-Vlaanderen"

In het Structuurschema Verkeer en Vervoer 1981 en in het Rijkswegenplan 1984 is de voorgenomen vaste oeververbinding niet opgenomen als onderdeel van het hoofdwegennet. Met het oog hierop en ook vanwege de inschakeling van particulier initiatief bij aanleg en exploitatie van de vaste oeververbinding ligt het initiatief voor het project, evenals de bevoegdheid tot het nemen van het besluit tot tracévaststelling bij het provinciaal bestuur van Zeeland en niet bij de Minister van V&W.

In de richtlijnen werd bepaald, dat de opstelling van het MER in twee stappen zou geschieden. In de eerste stap werden alle alternatieven, die voortkomen uit de rapportage van de Stuurgroep WOV en de inspraak en advisering tijdens het vooroverleg, globaal bezien op hun verkeersplanologische en milieugevolgen. Dit moest leiden tot een inperking van de alternatieven, die vervolgens in de tweede stap nader uitgewerkt dienden te worden. Aan het einde van 1988 werd het Rapport 1e fase MER/tracénota WOV voor tussentijds commentaar toegezonden aan betrokken gemeenten en waterschappen, de Zeeuwse havenschappen, het landbouwschap, de provinciale Raad voor het Milieu, de PPC, de Belgische buurprovincies en de Commissie. In februari 1989 gingen Provinciale Staten akkoord met een voorstel van Gedeputeerde Staten de projectnota/MER toe te spitsen op drie locaties voor een WOV, te weten tussen Terneuzen en Ellewoutsdijk (ten westen en ten oosten van Terneuzen) en tussen Kruiningen en Perkpolder. De projectnota/MER zou op 4 september 1989 bekend worden ge maakt. Op 2 augustus 1989 echter schreef de Minister van V&W een brief aan GS met de mededeling, dat na overleg met België alleen een WOV in de vorm van een voldoende diep ge legen tunnel bespreekbaar was. Hierop besloot het provinciaal bestuur de bekendmaking van de projectnota/MER voor onbepaalde tijd uit te stellen. Het MER werd ten slotte met de tracénota bekendgemaakt op 26 februari 1990. De bekendmaking geschiedde door de Minister van Verkeer en Waterstaat, omdat het provinciaal bestuur van Zeeland op grond van artikel 41s van de Wabm de Raad van de Waterstaat vroeg de procedure en de inspraak te organiseren en het provinciaal bestuur te adviseren over de tracénota/MER. In haar toetsingsadvies constateerde de Commissie voor de m.e.r. drie hoofdpunten die van belang zijn voor de besluitvorming. Uit milieuoogpunt was het van belang het tracé 2 alsnog uit te werken. Dit tracé ligt tussen Borssele en Hoofdplaat. Het was afgevallen in de besluitvorming door Provinciale Staten over welke alternatieven in de tweede stap nader zouden worden uitgewerkt. Daarnaast was in het MER onvoldoende uitwerking gegeven aan de meest milieuvriendelijke ligging en inrichting van de in beschouwing genomen tracés. Zo was o.a. de mogelijkheid gemist van een enkelbaans geboorde tunnel als milieuvriendelijke oplossing voor de oeververbinding. Ten slotte merkte de Commissie op, dat de begrenzing van de Grote Landschappelijke Eenheid (GLE) in de Zak van Zuid-Beveland, door het provinciaal bestuur van groot belang was voor de keuze en uitwerking van een WOV. Naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie stelde de provincie een notitie op d.d. 21 augustus 1990 voor de Raad van de Waterstaat. Op grond van deze notitie concludeerde de provincie, dat de opmerkingen van de Commissie m.e.r. ten aanzien van het tracé 2 en het meest milieuvriendelijke alternatief niet tot reële alternatieven konden leiden en dus geen aanleiding vormden om het MER aan te vullen. De besluitvorming over de begrenzing van de GLE zou pas worden afgerond nadat een besluit was genomen over de WOV.

In december 1990 bracht de Raad van de Waterstaat advies uit. Daarin werd een voorkeur uitgesproken voor tracé 3 – dat is het tracé ten westen van Terneuzen met aanlanding ten oosten van het Dow-Beneluxcomplex. Het tracévaststellingsbesluit van Provinciale Staten van Zeeland werd genomen op 1 maart 1991 op voordracht van het College van Gedeputeerde Staten van 22 januari 1991. Het besluit koos tracé 3 maar stelde daarbij: "De vraag in hoeverre al dan niet tot de bouw van een vaste oeververbinding over de Westerschelde zal (kunnen) worden overgegaan, is bij deze beslissing niet aan de orde". Verder wordt opgemerkt: "Wij verhelen niet dat de vorm waarin dit tracé met bijbehorende randvoorwaarden in de tracénota/MER is beschreven op dit moment financieel niet realiseerbaar lijkt". In het besluit is geen programma voor de evaluatie van de werkelijk optredende milieugevolgen opgenomen. Dit programma zou worden gemaakt wanneer tot de feitelijk bouw wordt besloten. GS kwamen op 12 november 1991 met een voorstel aan Provinciale Staten over de voorbereiding van de bouw van de WOV. Aan twee werkmaatschappijen werd gevraagd een ontwerp en prijsaanbieding te maken. Op 11 december 1992 hebben beide bouwcombinaties (te weten de Kombinatie Middelplaat Westerschelde V.o.F. in 's-Hertogenbosch en Bie ter ge mein schaft Konsortium WOV in Keulen) aanbiedingen uitgebracht. Beide combinaties van be drijven hebben hun aanbiedingen gedaan voor tracé 3. De combinaties hebben uitsluitend ge boordetunneloplossingen en varianten daarop aangeboden; dit in tegenstelling tot het eerdere standpunt van Zeeland, dat uitging van brug- en afgezonkentunnelcombinaties. De exploitatietermijn is gesteld op 30 jaar. Op de verbinding zal tol worden geheven, waarvan het begintarief gelijk moet zijn aan het gemiddelde eindtarief van de huidige veer ver bin din gen. De WOV moet in het jaar 2000 beschikbaar zijn.

Per brief van 27 september 1993 liet de provincie Zeeland aan de Commissie weten een aanvullend MER in voorbereiding te hebben, 'Geboorde-tunnelvariant'.

Dat werd nogmaals bevestigd per brief van 15 augustus 1995 aan de commissie voor de m.e.r.

Per brief van 23 januari 1996 aan de Commissie lieten GS van Zeeland echter weten dat een aanvulling op het MER voor de geboorde tunnel uitvoering niet nodig is omdat het tracé reeds was vastgesteld en de geboorde tunnel uitvoering daarin geen verandering brengt. Hierbij kan worden opgemerkt dat dit juist is in het horizontale vlak maar niet in verticale zin omdat een geboorde tunnel dieper zal zijn gelegen en dus andere milieueffecten zal hebben dan de in de Projectnota/MER beschreven uitvoeringsvormen van brug of afgezonken tunnel.

De streekplanafwijking die op 18 juni 1996 werd vastgesteld diende voor een wijziging van het tracé in de Ellewoutsdijkpolder op Zuid-Beveland en voor de keuze voor een westelijk tracé in Zeeuwsch-Vlaanderen. Van de tracéaanpassingen zijn de milieugevolgen onderzocht. Dit aanvullend milieuonderzoek werd in lijn met de eerdere beslissing van GS niet gepresenteerd als aanvulling op het MER.

Bij besluit van 27 juni 1996 heeft de gemeenteraad van Borsele het bestemmingsplan ‘Westerschelde Oeververbinding’ vastgesteld. Tegen dit laatste besluit was beroep ingesteld bij de Afd. bestuursrechtspraak van de Raad van State door de Stichting Leefbaar Zeeland en eigenaren van boerenbedrijven. Eén van de gronden van het beroep betrof het feit dat het MER de uitvoering van de oeververbinding in de vorm van een geboorde tunnel niet beschrijft. (De appellanten beriepen zich op art. 7.10. eerste lid Wm. Het was beter geweest indien appellanten zich hadden beroepen op art. 7.27, tweede lid Wm waarin is bepaald dat een besluit niet mag worden genomen indien de gegevens uit het MER niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd in verband met aanmerkelijke wijzigingen van de omstandigheden.) Weliswaar was na de toetsing van het MER een aanvullende milieustudie verricht maar deze studie was niet als aanvulling op het MER in procedure gebracht. Uitspraak vond plaats op 19 maart 1999. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de uitvoering van de oeververbinding als geboorde tunnel terecht zonder aanvullend MER was besloten omdat uitvoering als geboorde tunnel was gebeurd op aanraden van de Commissie vor de m.e.r. in haar toetsingsadvies over het MER en omdat deze aanbeveling een verbetering voor het milieu inhield voor elk van de onderzochte tracés.

In 1997 is begonnen met de aanleg van de WOV.

In augustus 2000 bleek dat het vanwege allerlei technische problemen onwaarschijnlijk zou zijn dat de geplande opleverdatum van 15 maart 2003 zou worden gehaald. De boorkoppen – de Sara en de Neeltje Suzanna – waren vervormd omdat de aardlagen waar zij zich doorheen moesten graven, op het diepste punt van de tunnel harder waren dan verwacht. Eerder waren er al problemen bij de aanleg van de vluchtweg tussen de twee tunnelbuizen.

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

Werkgroeplid
dhr. prof.dr.ir. J.F. Agema
dhr. ir. B.N. de Koning
dhr. drs. R.H.D. Lambeck
dhr. prof.dr.ir. F.M. Maas
dhr. drs. J.W. Stellingwerff
dhr. prof.drs. J.A.J. Vervloet

Voorzitter van de werkgroep: dhr. ir. K.H. Veldhuis

Secretaris van de werkgroep: dhr. drs. J.J. Scholten

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Zeeland

Bevoegd gezag
Zeeland

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Zeeland

Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
C01.2 tot 1-4-2011: Aanleg auto(snel)weg

Bijgewerkt op: 30 jan 2013