1114. Wijziging Uitvoeringsbesluiten luchthaven Schiphol

Op 20 februari 2003 is een nieuw wettelijk normenstelsel voor de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol in werking getreden. Op dat moment werden het eerste Luchthavenverkeerbesluit en het eerste Luchthavenindelingbesluit van kracht. In juni 2003 maakten Schipholgroup (AAS) en Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) kenbaar dat bij de totstandkoming van het nieuwe normenstelsel een fout is gemaakt. Door het gebruik van verkeerde invoergegevens is van een onjuiste verdeling van het lucht-havenverkeer tussen de Polderbaan en de Zwanenburgbaan uitgegaan. Dit resulteerde in grenswaarden voor de geluidsbelasting waar de werkelijk beoogde verkeersverdeling niet in past. AAS en LVNL willen deze situatie wijzigen. Tevens constateren AAS en LVNL dat, in strijd met verwachtingen van inwoners van Spaarndam, twee uitvliegroutes van de Polderbaan zijn gewijzigd ten opzichte van het oude stelsel. Daardoor ontstaat meer geluidsoverlast. AAS en LVNL willen deze uitvliegroutes wijzigen. Voor het herstel van de invoerfout en het aanpassen van de uitvliegroutes zijn wijzigingen van het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit nodig. Daarvoor wordt een m.e.r.-procedure doorlopen.  

Procedure en adviezen

Richtlijnen
19-07-2000 Datum kennisgeving
20-10-2000 Advies uitgebracht
Richtlijnen
Toetsing
01-10-2001 Advies uitgebracht
Toetsing
Toetsing a
23-01-2002 Datum kennisgeving
11-03-2002 Advies uitgebracht
Toetsing a
Richtlijnen b
05-11-2003 Datum kennisgeving
19-12-2003 Advies uitgebracht
Richtlijnen b
Toetsing b
28-04-2004 Datum kennisgeving
04-06-2004 Advies uitgebracht
Toetsing b

Opmerkingen bij de advisering

In 1998 besloot het kabinet een nieuw milieu- en veiligheidsnormen stelsel te ontwikkelen voor de luchthaven Schiphol. Als voorwaarde is daarbij gesteld dat het nieuwe stelsel gelijkwaardig moet zijn aan het huidige stelsel dat is vastgelegd in de PKB voor Schiphol en Omgeving van 1995. Om dat beleidsvoornemen uit te werken zal een wijziging van de Wet luchtvaart worden doorgevoerd waarin de wijzigingen ten opzichte van de PKB worden verwerkt. Op basis van deze wetswijziging zullen twee uitvoeringsbesluiten worden genomen: het luchthavenindelingbesluit en het luchthavenverkeerbesluit. In deze besluiten zal het nieuwe milieu- en veiligheidsregime worden neergelegd. Bij de eerste vaststelling van deze besluiten zal het beschermingsniveau voor milieu en externe veiligheid zodanig worden bepaald dat sprake is van gelijkwaardigheid ten opzichte van de PKB. In het voorstel tot wijziging van de Wet luchtvaart is voorzien dat de informatie die nodig is voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid tussen het oude en het nieuwe normenstelsel bijeengebracht moet worden in het kader van een milieueffectrapportage (m.e.r.). Daarbij is bepaald dat met het oog op het bijzondere karakter van deze (vrijwillige) m.e.r. paragraaf 7.4 van de Wm buiten toepassing behoort te blijven. Paragraaf 7.4 Wm bevat de eisen die ten minste aan de inhoud van een MER worden gesteld. Deze inperking in de toepassing van de wettelijke regels betekent vooral dat de beschouwing van alternatieven niet aan de orde is bij deze m.e.r. 

Het milieueffectrapport (MER) dient ter onderbouwing van beide voornoemde besluiten. Voor de behandeling van het voorstel tot wijziging van de Wet luchtvaart door de Tweede Kamer kreeg de Tweede Kamer de beschikking over een concept van het MER. De minister van Verkeer en Waterstaat vroeg de Commissie voor de m.e.r. een voorlopig oordeel te geven over dit concept-MER ten behoeve van de behandeling in de Tweede Kamer. Dat gebeurde op 1 oktober 2001.

De beide uitvoeringsbesluiten en het MER werden in procedure gebracht nadat de Tweede Kamer op 30 oktober 2001 instemde met het wetsvoorstel. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer werd een amendement van het Kamerlid Rosenmöller over de toepassing van paragraaf 7.4 van de Wm verworpen.

In de opstelling van de toetsingsadviezen over het concept-MER en het definitieve MER heeft de Commissie voor de m.e.r. aandacht gegeven aan de adviezen en opmerkingen van de Commissie Deskundigen Vliegtuiggeluid (CDV). De CDV is speciaal door de minister van VenW ingesteld in juni 2000 om te adviseren over het aspect geluid in de overgang van het oude naar het nieuwe normenstelsel voor de luchthaven Schiphol. De advisering van de CDV vindt niet plaats in het kader van de m.e.r. “Schiphol 2003” maar de advisering van de CDV betreft ook onderwerpen die een essentiële rol vervullen in de m.e.r.

***

Voor de besluitvorming over de wijziging van de eerste Luchthavenbesluiten (herstel van een invoerfout) is eveneens m.e.r. doorlopen. De gewijzigde besluiten zullen volgens de Luchtvaartwet minimaal hetzelfde beschermingsniveau moeten bieden als de eerste besluiten die nu van kracht zijn. Kernpunt van het MER is dan ook om die informatie te bieden die nodig is om de gelijkwaardigheid met de nu geldende besluiten te kunnen aantonen. De Commissie concludeert in het toetsingsadvies dat dat het geval is. De Commissie is bij de beoordeling van het MER uitgegaan van het gegeven dat het MER informatie moet geven voor het herstel van een invoerfout. Dit gegeven impliceert een beperkte ruimte voor het uitwerken van (milieuvriendelijke) alternatieven. Alleen daarom vindt de Commissie de beperkte interpretatie van alternatieven, waaronder het meest milieuvriendelijke alternatief (MMA) en het nulalternatief, in dit specifieke MER acceptabel. De beperkte reikwijdte van de alternatieven in dit MER kan echter niet representatief zijn voor toekomstige MER’en. De Commissie beveelt aan onderzoek naar milieuvriendelijke opties tijdig te starten zodat de uitkomsten van dat onderzoek een rol kunnen spelen bij komende beleidsbeslissingen. De evaluatie van het normenstelsel conform de motie Baarda vormt daarin een eerste stap.

De Commissie heeft bij de toetsing van het voorgaande MER voor de invoering van het nieuwe stelsel kritische opmerkingen gemaakt over de gelijkwaardigheid met het beschermingsniveau van het oude stelsel. De gelijkwaardigheid van het nieuwe normenstelsel onder de Luchtvaartwet en het oude normenstelsel volgens de PKB is in de m.e.r. voor het herstel van de invoerfout echter niet aan de orde. De kritische kanttekeningen die de Commissie in eerdere toetsingsadviezen maakte over de onderbouwing van de gelijkwaardigheid van het nieuwe en het oude normenstelsel blijven daarom ook op de nu voorgenomen wijziging van de luchthavenbesluiten onverkort van kracht. De evaluatie van de gelijkwaardigheid van het normenstelsel conform de motie Baarda zal in een nog te starten m.e.r. aan de orde komen.

Betrokken partijen

Samenstelling van de laatste werkgroep

Werkgroeplid
dhr. prof.dr. B.J.M. Ale
dhr. dr.ir. M.M. Boone
dhr. drs. A.L. de Jong
mw. drs. W. Passchier-Vermeer
dhr. prof.dr. J. Thoen
dhr. capt. G.R. Vissers
dhr. prof.ir.drs. J.K. Vrijling
dhr. dr.ir. T. ten Wolde

Voorzitter van de werkgroep: dhr. ir. N.G. Ketting
Secretaris van de werkgroep: dhr. drs. S.A.A. Morel

Initiatiefnemer en Bevoegd gezag

Initiatiefnemer
Rijkswaterstaat

Bevoegd gezag
Ministerie van Volkhv., R.O. en Milieubeheer
Rijkswaterstaat

Overige gegevens

Gebied: Nederland, provincie Noord-Holland

Categorie├źn Besluit m.e.r.

Code Omschrijving
002 Vrijwillige m.e.r.

Bijgewerkt op: 10 jul 2018