ECLI:NL:RVS:2022:3312

Betreft Omgevingsvergunning Nieuwbouw EDGE Eindhoven
Datum uitspraak 16-11-2022
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Tussenuitspraak - bestuurlijke lus
Trefwoorden Eindhoven, stedelijke ontwikkelingsprojecten, voorzienbaarheid, samenhang
Bronnen vindplaats ECLI:NL:RVS:2022:3312

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Er is sprake van één stedelijk ontwikkelingsproject als er financiële, organisatorische of bouwkundige samenhang tussen verschillende ontwikkelingen is. Daarbij kan meewegen of de realisatie van de ene ontwikkeling afhankelijk is van de realisatie van de andere ontwikkelingen.
  • Het feit dat ontwikkelingen op korte afstand van elkaar zijn gelegen, maakt niet dat er meteen sprake is van bouwkundige samenhang. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat er één bureau is ingeschakeld voor de verschillende ontwikkelingen en dat er één stedenbouwkundig plan is opgesteld.
NB: zie ook de annotatie van Roel Sillevis Smitt (JM 2023/6) bij deze uitspraak.

Casus

Op 22 juni 2021 heeft de raad van de gemeente Eindhoven het bestemmingsplan "Lichthoven fase 2" vastgesteld. Op 23 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders aan Edge Technologies Development 1 B.V. (hierna: Edge) een omgevingsvergunning verleend. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om 27.500 m2 bvo (bruto vloeroppervlakte) aan kantoorruimte en 15.000 m2 bvo aan woningen te realiseren. In de plint van de bebouwing, langs de Stationsweg, wordt voorzien in ongeveer 1.000 m2 bvo aan commerciële functies. Het plangebied wordt begrensd door de Stationsweg, de Dommel en het spoor.

Appellanten betogen dat het voorliggende plan samenhangt met andere ontwikkelingen in de omgeving. Daarom is er een m.e.r.-beoordeling vereist die betrekking heeft op de totale beoogde ontwikkelingen binnen het Stationsgebied Zuid-Oost.

Overwegingen van de bestuursrechter
De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat er tussen het voorliggende plan en de andere ontwikkelingen in het Stationsgebied waar appellanten op wijzen niet een zodanige samenhang bestaat dat de ontwikkelingen voor de toepassing van de m.e.r.-regelgeving één activiteit vormen. De Afdeling volgt daarin het standpunt van de raad dat niet is gebleken van een financiële, organisatorische of bouwkundige samenhang tussen de verschillende ontwikkelingen en dat de realisatie van de voorliggende ontwikkeling niet afhankelijk is van de realisatie van de andere ontwikkelingen in het Stationsgebied.
Los van de vraag of samenwerking tussen de ontwikkelaars doorslaggevend kan zijn voor de vraag of sprake is van samenhang, is de Afdeling niet gebleken dat de ontwikkelaars samenwerken om de verschillende projecten te ontwikkelen. Het feit dat de ontwikkelingen op een relatief korte afstand van elkaar zijn gelegen, maakt niet dat er sprake is van een bouwkundige samenhang. Ook de omstandigheid dat er één landschapsbureau is ingeschakeld voor de verschillende ontwikkelingen en dat er één stedenbouwkundig plan is opgesteld, maakt niet dat de raad had moeten uitgaan van samenhang tussen de ontwikkelingen. Er was daarmee geen aanleiding om deze en de andere ontwikkelingen in het Stationsgebied te beschouwen als één stedelijk ontwikkelingsproject.
De raad is ervan uitgegaan dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling op zichzelf een stedelijk ontwikkelingsproject is. De mogelijke milieueffecten hiervan zijn beoordeeld in de m.e.r.-beoordeling van Royal HaskoningDHV van 4 maart 2020. Naar aanleiding hiervan heeft het college op 23 februari 2021 besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. De Afdeling volgt deze conclusie.

Uitspraak
Het beroep slaagt op het punt van m.e.r. niet. Wel slaagt het beroep op twee andere punten. De raad en het college moeten die gebreken herstellen.