ECLI:NL:RVS:2021:575

Betreft Biomineralen b.v. Roosendaal
Datum uitspraak 17-03-2021
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Hoger beroep - meervoudig
Trefwoorden afval, meststoffen, afvalverwerkingsinstallaties, Roosendaal, chemisch behandelen, fysisch behandelen, eerste fase omgevingsvergunning
Bronnen vindplaats Zaaknummer 201805632/1/A1

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Het enkel verwarmen van dikke fractie van dierlijke mest is geen ‘chemische behandeling’ als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.
 
NB: In 2016 en 2017 gaf de Commissie m.e.r. twee adviezen over het milieueffectrapport, zie https://www.commissiemer.nl/adviezen/3154

Casus

Biomineralen B.V. wil biomineralen gaan produceren in een fabriek te Roosendaal. Per jaar zal het bedrijf maximaal 150.000 ton dikke fractie van dierlijke mest drogen, hygiëniseren en pelletiseren. Dit leidt tot ongeveer 50.000 ton mineraalkorrels per jaar. Dikke fractie ontstaat na het bewerken en daarmee scheiden van mest in een dikke (vaste) en een dunne (vloeibare) fractie. Dat gebeurt buiten de inrichting. Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal heeft de omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu verleend, behalve voor opslag en verwerking van dikke mestfractie van andere diersoorten dan varkens en rundvee. Verder heeft het college de omgevingsvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van een bouwwerk, omdat het bouwplan volgens het college past in het bestemmingsplan. De besluitvorming was op 31 oktober 2017 afgerond.
 
Appellante vindt dat voor de omgevingsvergunning eerste fase een milieueffectrapport (MER) was vereist, en dat de rechtbank dat ten onrechte heeft miskend. Volgens haar is sprake van chemische behandeling als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.). Het vrijwillig door Biomineralen opgestelde MER voldoet in dat geval niet aan de eisen. Zo ontbreekt een notitie reikwijdte en detailniveau en is geen gelegenheid geboden voor het inbrengen van zienswijzen.
 
Overwegingen van de bestuursrechter
Het geschil gaat over de vraag of het verwarmen van dikke fractie geldt als chemische behandeling, als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. De Afdeling leest in de parlementaire geschiedenis dat bijlage IIA van de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) meer uitleg over chemische behandeling geeft. Specifiek gaat het om onderdeel D9 van bijlage IIA. Dit onderdeel beschrijft zowel fysische als chemische verwijderingshandelingen. De m.e.r.-(beoordelings)plicht betreft alleen de chemische behandeling van afvalstoffen. Voorbeelden daarvan zijn calcineren, pyro- en hydrometallurgie en thermische immobilisatie. Puur fysische behandelingen zoals het verdampen, drogen, ontwateren, scheiden, wassen, breken, destilleren of verdichten vallen niet onder de m.e.r.-(beoordelings)plicht. Gelet op deze beschrijving oordeelt de Afdeling dat het verwarmen van de dikke fractie niet geldt als chemische behandeling als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. Daarom gold voor Biomineralen geen verplichting om een MER te maken.
 
Uitspraak
De Afdeling verklaart het hoger beroep over het MER ongegrond, maar vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de omgevingsvergunning eerste fase op andere gronden.