ECLI:NL:RVS:2017:2087

Betreft Tracébesluit A16 Rotterdam
Datum uitspraak 02-08-2017
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden Rotterdam, tracé, alternatieven, participatie, A16
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201607369/1/R6

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Als meerdere inspraakmomenten hebben plaatsgevonden en aangedragen alternatieven gemotiveerd zijn afgewezen, hoeven die alternatieven niet in het milieueffectrapport te worden onderzocht.

  • De in een besluit gekozen variant hoeft niet volledig overeen te komen met de varianten uit het milieueffectrapport, mits de milieueffecten binnen de bandbreedte van die varianten blijven.

Casus

Op 29 juni 2016 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu het tracébesluit A16 Rotterdam (hierna: het tracébesluit) vastgesteld. Het tracébesluit ziet op de realisatie van een nieuwe Rijksweg A16 (hierna: de nieuwe A16) die de bestaande A16 en A20 ter hoogte van het knooppunt Terbregseplein verbindt met The Hague Airport. De nieuwe A16 wordt voor een deel gecombineerd aangelegd met de N209. Het zuidelijke deel ervan wordt bij het Lage Bergse Bos half verdiept aangelegd. De besluitvorming over het tracébesluit is in 2005 gestart met de Startnotitie Rijksweg 13/16 Rotterdam (hierna: de Startnotitie). Vervolgens is een milieueffectrapport opgesteld.

Inspraak
Appellanten voeren aan dat geen reële mogelijkheden voor inspraak zijn geboden. De keuze voor de nieuwe A16 is volgens hen al in de Startnotitie gemaakt. In het milieueffectrapport zijn alleen varianten op en geen alternatieven voor de A16 onderzocht. Zij menen dat de inspraak niet voldoet aan de voorwaarden daartoe in het Verdrag van Aarhus en de M.e.r.-richtlijn. Het milieueffectrapport voldoet volgens hen niet aan het vereiste van artikel 7.23, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer dat redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven worden beschreven.

Alternatieven
Appellanten menen verder dat de ligging en vormgeving van de nieuwe A16 bij de kruising met de N471 dusdanig afwijkt van de in het milieueffectrapport onderzochte tracévarianten dat het milieueffectrapport niet ten grondslag kan liggen aan het tracébesluit. In het milieueffectrapport zijn de milieueffecten van zes tracévarianten onderzocht. Ten opzichte van die onderzochte varianten is het tracé bij de kruising met de N471 tot 100 meter in noordelijke richting verschoven. In combinatie met de verhoogde ligging van de nieuwe A16 (ongeveer 5-8 meter boven het maaiveld) leidt de verschuiving volgens hen tot heel andere milieueffecten dan onderzocht in het milieueffectrapport. In het milieueffectrapport is op die locatie een verdiepte aanleg onderzocht, waardoor andere effecten voor zicht- en geluidhinder optreden.

Overwegingen van de bestuursrechter

Inspraak
De Afdeling overweegt dat de Startnotitie een maand ter inzage heeft gelegen. Dat in de Startnotitie staat dat één oplossingsrichting wordt onderzocht, betekent niet dat over andere alternatieven, zoals het vergroten van de capaciteit van het onderliggende wegennet en het aanpassen van het openbaar vervoer, geen inspraak mogelijk is. Appellanten hebben hun reactie gegeven en de minister heeft inhoudelijk gereageerd op de in de inspraak aangedragen alternatieven. Ter voorbereiding op het milieueffectrapport is in de Variantennota Rijksweg 13/16 onder meer berekend of verkeersknelpunten kunnen worden opgelost door optimalisatie van het openbaar vervoer en het bestaande wegennet. Het milieueffectrapport heeft samen met de Variantennota ter inzage gelegen. Op de zienswijzen over het milieueffectrapport is eveneens inhoudelijk gereageerd in de Nota van Antwoord zienswijzen Trajectnota/MER A13/16 Rotterdam. Daarin is onderbouwd waarom de door insprekers aangedragen alternatieven zijn afgewezen.

De Afdeling oordeelt dat op meerdere momenten inspraak heeft plaatsgevonden en dat daadwerkelijk invloed op de besluitvorming is uitgeoefend. Het milieueffectrapport voldoet aan het vereiste van het onderzoeken van alternatieven.

Alternatieven
De Afdeling overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2688, dat het milieueffectrapport wordt opgesteld om voldoende milieu-informatie te verzamelen om over een project te kunnen besluiten. De in die besluitvorming gemaakte keuze hoeft niet volledig overeen te stemmen met de in het milieueffectrapport onderzochte varianten. Een definitieve keuze wordt immers pas in het besluit genomen.

In de notitie Validatie van de TN/MER, die voorafgaand aan het tracébesluit is opgesteld, is geconcludeerd dat de wijzigingen in het wegontwerp niet leiden tot andere verkeerskundige effecten en binnen de bandbreedte van het ruimtebeslag van de in het milieueffectrapport onderzochte varianten blijven. Sommige varianten gaan uit van een kruising met de N471 boven het maaiveld. De Afdeling oordeelt daarom dat geen andere geluids- en zichteffecten te verwachten zijn dan in het milieueffectrapport onderzocht. Evenmin zijn naar het oordeel van de Afdeling vanwege de verschuiving in noordelijke richting de kern van Berkel en Rodenrijs andere geluidseffecten op de woningen te verwachten dan in het milieueffectrapport beschreven.

Uitspraak
De Afdeling verklaart het beroep voor zover het over m.e.r. gaat, ongegrond, vernietigt het besluit om andere gronden en laat de rechtsgevolgen in stand.