ECLI:NL:RVS:2014:4531

Betreft Omgevingsvergunning Nedstaal
Datum uitspraak 10-12-2014
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Hoger beroep
Trefwoorden m.e.r.-beoordeling, drempelwaarde, asbest, afval, locatiekeuze
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201404297/1/A4
JM 2015, 15 met noot Hoevenaars

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Het verwerken van in lichte mate asbesthoudend staalschroot is geen activiteit als bedoeld in C18.2 of D46 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
  • Een definitie uit onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is alleen relevant voor de interpretatie van begrippen uit de C- of D-lijst van die bijlage, als deze daarin letterlijk terugkomt.

Casus

Op 16 september 2013 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland besloten een omgevingsvergunning te verlenen voor de staalfabriek van Nedstaal in Alblasserdam. Het gaat om het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college vergunt het nemen van proeven voor de duur van één jaar waarbij maximaal 100 ton licht asbesthoudend metaalschroot wordt verwerkt in een bestaande staalsmelterij. Het asbest wordt hierbij ontleed in een aantal onschadelijke bestanddelen en het staal kan worden hergebruikt. Bij dit proces zouden geen asbestemissies plaatsvinden en geen asbest als restproduct achterblijven. Tegen dit besluit hebben diverse appellanten beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen op 14 april 2014 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2014:4548). Het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

Volgens het college is het Besluit m.e.r. in strijd met de M.e.r.-richtlijn. Verder meent het college dat de rechtbank had moeten uitspreken dat een MER of m.er.-beoordeling had moeten worden gemaakt, omdat de activiteit onder categorie C18.2 zou vallen (het oprichten van een inrichting voor de chemische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen) of onder categorie D46 (het smelten van een minerale stof). De rechtbank is volgens het college ten onrechte uitgegaan van categorie C21.5 en D21.5 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (de wijziging of uitbreiding van een installatie voor de ver- of bewerking van asbest of asbesthoudende producten met een verbruik van 200 resp. 100 ton of meer asbest per jaar). Mocht de Afdeling oordelen dat de activiteit wel onder categorie C21.5 of D21.5 valt, dan voert het college aan dat de drempelwaarden worden overschreden. De totale productiecapaciteit bedraagt namelijk 210.000 staalblokken per jaar. Daarbij moet volgens het college ook de mogelijke voortzetting en uitbreiding van de capaciteit meegenomen worden. Het college wijst daarbij op de definitie van ‘capaciteit’ in onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (de redelijkerwijs binnen afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de capaciteit).

Het college is verder van mening dat een MER had moeten worden opgesteld, omdat daarin de locatiekeuze voor de proeven aan de orde had kunnen komen. De nu gekozen locatie heeft potentiële risico’s.

Overwegingen van de bestuursrechter
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat categorie C18.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. Daartoe overweegt de Afdeling dat de proeven plaatsvinden in een bestaande smeltoven en daarom geen sprake is van het oprichten van een installatie. Verder wordt het asbesthoudend staalschroot niet verbrand, chemisch behandeld, gestort of in de diepe ondergrond gebracht.

Omdat het asbest niet smelt, maar al is ontleed in onschadelijke bestanddelen voordat het staalschroot smelt, vallen de proeven evenmin onder categorie D46.

De drempelwaarden uit categorie C21.5 en D21.5 zijn gesteld op een verbruik van meer dan 200 respectievelijk 100 ton asbest per jaar en bij de toetsing aan de drempelwaarde hoeft alleen de werkelijke hoeveelheid asbest in het schroot worden betrokken. Die hoeveelheid (104,4 kilo) ligt in dit geval ruim onder de drempelwaarden. De definitie van ‘capaciteit’ is daarbij niet relevant, omdat de drempelwaarde ziet op het verbruik.

Volgens de Afdeling is in de vormvrije m.e.r.-beoordeling de locatiekeuze voldoende betrokken en konden gedeputeerde staten zich op het standpunt stellen dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk was.

Uitspraak
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.