ECLI:NL:RVS:2014:2618

Betreft Bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen’
Datum uitspraak 16-07-2014
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden m.e.r.-beoordeling, m.e.r.-richtlijn, bijlage III, bio-energie, wijzigingsbevoegdheid, installaties, intensieve veehouderij, kaderstelling, plan-m.e.r., bio-energiecentrales (BEC)
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201307530/1/R1

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Een plan-m.e.r. is ook verplicht als m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten alleen op grond van een wijzigingsbevoegdheid of afwijkingsbevoegdheid mogelijk zijn;
  • Nevenactiviteiten moeten duidelijk gedefinieerd zijn om te concluderen of ze al dan niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn;
  • Een biomassa-energie-centrale is geen agrarische nevenactiviteit als deze niet uitsluitend voor het agrarische bedrijf mogelijk gemaakt wordt.

Casus

Op 30 mei 2013 heeft de raad van de gemeente Roerdalen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen’ vastgesteld, dat voor het buitengebied in een uniform juridisch-planologisch kader voorziet.

Via een afwijkingsbevoegdheid zijn ‘overige agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten‘ mogelijk als nevenfunctie binnen de bestemmingen ‘ Agrarisch met waarden-Landschapswaarden-1’ en ‘ Wonen-Buitengebied’.

Het plan maakt binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden-Landschapswaarden-1’ met een omgevingsvergunning het gebruik van gronden voor de productie van ener gie uit biomassa mogelijk, als de energie wordt geproduceerd in bio-energie-installaties en als dit milieuhygiënisch inpasbaar is.

Het bestemmingsplan kent ook een wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting van het bouwvlak van intensieve veehouderijen.

Appellant voert aan dat

  • ten onrechte geen m.e.r.(-beoordeling) heeft plaatsgevonden, nu bij de afwijking voor de nevenfunctie het oppervlakte niet is begrensd;de bestemming ‘Agrarisch met waarden-Landschapswaarden-1’ in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan worden gewijzigd voor de productie van energie uit biomassa;het plan, via de wijzigingsbevoegdheid een m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk maakt, namelijk het vergroten van het bouwvlak voor intensieve veehouderijen.

Overwegingen van de bestuursrechter
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat uit de planregels voldoende duidelijk blijkt wat onder ‘agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten’ wordt verstaan en dat daarbinnen geen grootschalige industriële activiteiten vallen. Ook staat in de planregels dat een nevenfunctie ondergeschikt dient te zijn aan de hoofdfunctie. Daarmee schept het plan geen kader voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Daarbij weegt mee dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat op grond van de selectiecriteria van bijlage III bij de M.e.r.-richtlijn een vormvrije m.e.r.-beoordeling gedaan had moeten worden.

De Afdeling oordeelt dat uit de planregels niet volgt dat een bio-energie-installatie alleen voor een agrarisch bedrijf mogelijk is en dat dus ook bio-energie-installaties met een andere ruimtelijke impact mogelijk zijn.

De wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting van het bouwvlak van de intensieve veehouderij maakt activiteiten mogelijk die onder categorieën C14 en D14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. vallen en de drempelwaarden overschrijden. Ten onrechte is geen plan-MER gemaakt. Het maken van een MER is niet pas verplicht bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid.

Uitspraak
De Afdeling:

- verklaart het beroep over ‘overige agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten’ ongegrond;
- vernietigt het bestemmingsplan voor zover het bio-energie-installaties en de wijzigingsbevoegdheid voor intensieve veehouderij betreft.