ECLI:NL:RVS:2012:BY4438

Betreft Bestemmingsplan Wolfsveld
Datum uitspraak 28-11-2012
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden bestemmingsplannen, Gemert, bedrijventerreinen, vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bronnen vindplaats Zaaknummer 201011530/1/R3

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Ook onder de drempelwaarde van de D-lijst dient beoordeeld te worden of een MER moet worden gemaakt. Dit moet worden gedaan aan de hand van de factoren die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese M.e.r.-richtlijn.

NB 1 De uitspraak vormt een voorbeeld van welke omstandigheden een rol kunnen spelen bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling voor een uitbreiding van een bedrijventerrein waarbij ook nog eens minimaal een intensieve veehouderij dient te verdwijnen, kunnen cumulatieve effecten met intensieve veehouderijen buiten het plangebied in dit geval niet aan de orde zijn. Het was bovendien van belang dat het plangebied niet in of nabij een "gevoelig gebied" lag. Dat geen sprake was van een "gevoelig gebied" speelde in het kader van een m.e.r.-beoordeling ook in uitspraken over bestemmingsplan "Vlinderstrik", ABRvS 27 december 2012, zaaknr. 201106650/1/R4 (Rotterdam) en zaaknr. 201106777/1/R4 (Lansingerland).

NB 2 Het bestemmingsplan kwam tot stand voor de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 (Besluit van 21 februari 2011 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage, Stb. 2011, 102). Bedrijventerreinen als zodanig komen niet meer voor in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Nu maakt het Besluit m.e.r. onderscheid in industrieterreinen (D 11.3 nieuw) en stedelijke ontwikkelingsprojecten, waaronder bedrijventerreinen (D 11.2, nieuw).

Casus

Op 30 september 2010 heeft de gemeenteraad van Gemert-Bakel een bestemmingsplan vastgesteld ten behoeve van de uitbreiding van 46 ha van het bedrijventerrein “Wolfsveld” te Gemert alsmede een daarop van toepassing zijnde exploitatieplan. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan. Door enkele appellanten wordt onder meer aangevoerd dat er geen MER is opgesteld ten behoeve van het plan. In het vaststellingsbesluit is geconcludeerd dat de uitbreiding de drempelwaarde van het Besluit m.e.r. niet overschrijdt, en aldus geen MER had hoeven worden opgesteld. Er is volgens appellanten niet gekeken naar bijzondere omstandigheden. Als factor die noopt tot het opstellen van een MER wordt aangevoerd dat intensieve veehouderijen aanwezig zijn buiten het plangebied die nadelige effecten hebben op het woon- en werkklimaat in het plangebied. Hiertoe wordt verwezen naar een uitspraak van ABRvS 17 maart 2010, zaaknr. 200904456/1/M2. Een van de appellanten betoogt voorts dat onduidelijke bestemmingsregelingen activiteiten waarvoor een MER moet worden opgesteld, niet uitsluiten.

Overwegingen van de bestuursrechter
De drempelwaarden van het Besluit m.e.r. (oud) voor een bedrijventerrein zijn 150 ha voor categorie 11.2, onderdeel C van het besluit (m.e.r.-plicht) en 75 ha voor categorie 11.3, onderdeel D van het besluit (m.e.r.-beoordelingsplicht). Aangezien het bedrijventerrein wordt uitgebreid met 46 ha worden er geen drempelwaarden van het Besluit m.e.r. overschreden. De Afdeling oordeelt dat het appellanten niet hebben aangetoond welke onduidelijke bestemmingsregelingen in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Dit betoog kan hierom al niet slagen.

Voorts oordeelt de Afdeling dat verweerder heeft met een rapport voldoende zijn standpunt heeft onderbouwd dat een MER niet hoefde te worden opgesteld. Appellanten hebben niet aannemelijk kunnen maken dat andere factoren van bijlage III M.e.r.-richtlijn aanwezig zouden zijn die ertoe leiden dat wel een MER moest worden opgesteld. Zij hebben ook niet aangetoond dat het plangebied in of nabij een gevoelig gebied ligt. De casus in de uitspraak van ABRvS 17 maart 2010, zaaknr. 200904456/1/M2 is volgens de Afdeling niet vergelijkbaar met deze zaak. In die zaak ging het om een milieuvergunning ten behoeve van een veehouderij in de nabijheid van een natuurgebied terwijl het in het voorliggende geval om de uitbreiding van een bedrijventerrein gaat en dat juist tot gevolg heeft dat minimaal een intensieve veehouderij dient te verdwijnen. Alleen in het eerste geval zouden cumulatieve effecten met andere intensieve veehouderijen mogelijk van belang kunnen zijn.

Uitspraak
De Afdeling verklaart het beroep op andere gronden dan de m.e.r.-beroepsgrond gegrond en vernietigt enkele delen van het besluit.