ECLI:NL:RVS:2012:BV0105

Betreft Bedrijventerrein Laarbeek
Datum uitspraak 04-01-2012
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - enkelvoudig
Trefwoorden bedrijventerreinen, bestemmingsplannen, samenhang
Bronnen vindplaats Zaaknummer 201011740/1/R3

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Ongeacht de vraag of twee delen van een bedrijventerrein in het kader van een m.e.r.-beoordeling gezamenlijk moeten worden beoordeeld, hoeft geen MER te worden opgesteld als de totale oppervlakte van een bedrijventerrein niet boven de D-drempel uitkomt en geen andere omstandigheid tot het opstellen van een MER leidt.
  • Het feit dat voor verschillende deelgebieden van een bedrijventerrein een afzonderlijk bestemmingsplan is vastgesteld, betekent nog niet dat geen sprake is een goede ruimtelijke ordening.

Casus

Op 23 november 2011 heeft de gemeenteraad van Laarbeek het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Bosscheweg (deelgebied 1 Wellestraat-Oost) vastgesteld, dat voorziet in een planologisch regime voor het oostelijke deelgebied van het bedrijventerrein Bemmer ten oosten van de Wellestraat. Het plan maakt onder meer uitbreiding mogelijk van het bestaande bedrijventerrein op de plek van een voormalig afwateringskanaal.

Ten aanzien van m.e.r. voeren appellanten het volgende aan. Het vaststellen van twee afzonderlijke bestemmingsplannen voor het bedrijventerrein Bemmer, waarbij de ontsluitingsweg van beide deelgebieden in geen van beide bestemmingsplannen is opgenomen, is geen goede ruimtelijke ordening. Volgens appellanten moeten beide deelgebieden, inclusief de ontsluitingsweg, als één geheel worden beoordeeld om te bezien of uitbreiding van het bedrijventerrein mogelijk is in verband met mogelijke hinder voor omwonenden. Nu dit laatste niet is gebeurd, is volgens appellanten in het kader van de voorbereiding van het plan ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) gemaakt.
Volgens de gemeenteraad is met het vaststellen van twee afzonderlijke bestemmingsplannen beoogd vertraging te voorkomen. Zo hebben complicaties bij de vaststelling van een regeling voor één van de twee deelgebieden van het bedrijventerrein geen weerslag op het andere deelgebied. De Trentstraat is niet in het plan opgenomen, omdat de verkeersbestemming behouden blijft en er geen aanleiding is om de inrichting van deze weg te veranderen.

Overwegingen van de bestuursrechter
Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak is niet in geschil dat de gezamenlijke oppervlakte van het westelijke en oostelijke deelgebied van het bedrijventerrein Bosscheweg ongeveer 26 ha bedraagt en dus niet boven de drempelwaarde van 75 ha van categorie D 11.3 van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. uitkomt. Evenmin hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat, zelfs al zouden de beide deelgebieden samen worden genomen, in dit geval in het kader van de voorbereiding van het plan een verplichting bestond om een MER op te stellen, dan wel te beoordelen of een MER moet worden gemaakt.

Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de gemeenteraad een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht. De omstandigheid dat voor zowel het westelijke als het oostelijke deelgebied van het bedrijventerrein een afzonderlijk bestemmingsplan is vastgesteld betekent nog niet dat geen sprake is een goede ruimtelijke ordening. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de samenhang tussen deze deelgebieden zodanig is dat beide deelgebieden toch in één plan betrokken hadden moeten worden. Evenmin hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijke samenhang tussen de Trentstraat en het bedrijventerrein.

Uitspraak
De Afdeling acht de beroepsgrond ongegrond.