ECLI:NL:RVS:2011:BU7894

Betreft Tracébesluit wegverbreding A2
Datum uitspraak 09-12-2011
Rechtsprekende instantie  Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Voorlopige voorziening
Trefwoorden A2, Crisis- en herstelwet (Chw), alternatieven, tracé, milieueffectrapportage-richtlijn (m.e.r.-richtlijn), strategische milieubeoordeling (SMB), EVRM
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 201110075/2/R4

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Een tracébesluit is geen plan in de zin van de nationale m.e.r.-regelgeving en de Smb-richtlijn.
  • Om een besluit onderuit te halen, is het louter wijzen op andere mogelijk aanvaardbare oplossingen onvoldoende. Daarvoor is nodig dat aannemelijk wordt gemaakt dat de keuze van het bevoegd gezag niet op redelijke gronden is gebaseerd.

NB Of art. 1.9 Crisis- en herstelwet in strijd is met art. 10 bis M.e.r.-richtlijn en/of art. 6 EVRM, blijft onduidelijk. De Voorzitter doet er in deze zaak geen uitspraak over.

Klik hier voor projectinformatie (P2151).

Casus

Op 6 juni 2011 heeft de minister van I&M het tracébesluit wegverbreding A2 ’s-Hertogenbosch - Eindhoven (art.15, eerste lid, Tracéwet) vastgesteld. Dit tracébesluit voorziet in twee wegverbredingen: verbreding van de A2 tussen de aansluiting Veghel en knooppunt Ekkersweijer en verbreding van de A58 tussen knooppunt Ekkersweijer en de aansluiting Ekkersrijt.

De volgende beroepsgronden worden aangevoerd:

  • Op het tracébesluit zijn de bepalingen van hoofdstuk 1 Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing. Art. 1.9 Chw is in strijd met art. 10bis van de M.e.r.-richtlijn en art. 6 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Beide bepalingen gaan over de mogelijkheid om bij een rechter in beroep te kunnen gaan.
  • Vanwege de Smb-richtlijn had voor het nemen van het tracébesluit geen besluit-m.e.r. maar een plan-m.e.r. moeten worden doorlopen, ook omdat voor dit project een Passende beoordeling moet worden uitgevoerd.
  • In het MER zijn onvoldoende alternatieven beschreven. Zo ontbreekt het alternatief om ten oosten van Den Bosch en Eindhoven de N279 op te waarderen tot een volwaardig alternatief voor de verbreding van de A2.

Overwegingen van de voorzitter 

Art. 1.9 Crisis- en herstelwet
Art. 1.9 Chw bepaalt dat de administratieve rechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een (on)geschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet beoogt om degene die zich daarop beroept te beschermen.
De wegverbredingen uit het tracébesluit vallen onder de werkingssfeer van de M.e.r.-richtlijn. Op grond van art. 10bis M.e.r.-richtlijn moet de rechtmatigheid van dit besluit bij de rechter kunnen worden aangevochten.
De Voorzitter komt niet toe aan de vraag of art. 1.9 Chw in strijd is met de verplichting uit art. 10bis M.e.r.-richtlijn of art. 6 EVRM. Dit komt omdat niet is gebleken dat er gronden zijn waarop het tracébesluit moet worden vernietigd. De vraag of een geschonden (on)geschreven rechtsregel dan wel een algemeen rechtsbeginsel beoogt degene die zich erop beroept te beschermen, is dus niet aan de orde.

Plan-m.e.r.
In de bijlage bij het Besluit m.er. is met betrekking tot hoofdwegen de structuurvisie aangewezen als het plan waarbij een plan-m.e.r. moet worden gemaakt. Als besluit waarbij een besluit-m.e.r. moet worden gemaakt is de vaststelling van het tracé krachtens de Tracéwet aangewezen. Het Besluit m.e.r. verplicht niet om bij de voorbereiding van een tracébesluit een plan-m.e.r. uit te voeren.
De Smb-richtlijn leidt niet tot een ander oordeel. Het tracébesluit is een vergunning voor een concreet project (de verbreding van de A2) als bedoeld in bijlage I bij de M.e.r.-richtlijn. Een vergunning voor een concreet project is naar haar aard geen plan dat een kader vormt voor het verlenen van een dergelijke vergunning. Het tracébesluit is dus geen plan in de zin van de Smb-richtlijn. Ook niet als voor het project een Passende beoordeling moet worden gemaakt.

Tracékeuze en alternatieven
Op basis van een gevoeligheidsanalyse heeft de minister geoordeeld dat de verbreding van de N279 tussen Den Bosch en Veghel de A2 tussen Den Bosch en Eindhoven niet (voldoende) ontlast. Redenen daarvoor zijn dat een grote meerderheid van het verkeer de A2 de meest aantrekkelijke verbinding zullen blijven vinden, vooral omdat het verkeer de herkomst/bestemming Eindhoven en de westelijk daarvan gelegen werklocaties heeft. Bovendien heeft het niet de voorkeur om het verkeer van het hoofdwegennet naar het onderliggend wegennet te verplaatsen.
Om het besluit onderuit te halen, is het louter wijzen op andere mogelijk aanvaardbare oplossingen onvoldoende. Daarvoor is nodig dat aannemelijk wordt gemaakt dat de keuze van de minister niet op redelijke gronden is gebaseerd. Gezien de weerlegging van de minister van de in beschouwing genomen alternatieven, ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar alternatieven. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat de minister in redelijkheid niet de voorkeur mocht geven aan de vergunde wegverbreding boven het in beroep opgeworpen alternatief.

Uitspraak
Niet alleen wat betreft m.e.r., maar ook wat betreft de overige gronden bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.