ECLI:NL:RVS:2009:BJ3960

Betreft Verruiming vaargeul Westerschelde
Datum uitspraak 28-07-2009
Rechtsprekende instantie  Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Voorlopige voorziening
Trefwoorden natuur, Westerschelde, trac├ębesluit, vaarwegen, vaargeul
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 200806565/3/R1

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Een effect van minder dan 1 % kan beschouwd worden als significant of als aantasting van de natuurlijke kenmerken indien er sprake is van een verbeter- of hersteldoelstelling voor één of meerdere kwalificerende soorten of habitattypen.
  • Wanneer er veel onzekerheden bestaan over de natuurgevolgen, kan niet met zekerheid worden geconcludeerd dat natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast door een voornemen.

NB Het betreft samengevoegde zaken 200806565/3/R1, 200903364/2/R1, 200903365/2/R1, 200903367/2/R1 en 200903368/2/R1.

Casus

De staatssecretaris van V&W heeft in overeenstemming met de minister van VROM het Tracébesluit “Verruiming vaargeul Westerschelde” vastgesteld. Hiermee wordt mogelijk gemaakt dat de vaargeul van de Westerschelde blijvend wordt verdiept, waarbij ten minste vijf miljoen m3 grond wordt verzet. Het gaat daarbij om het gehele in Nederland gelegen traject van de Westerschelde, zijnde 66 km van de Belgisch/Nederlandse grens tot nabij Vlissingen.

Om dit Tracébesluit uit te voeren zijn de volgende vier besluiten genomen:

  • een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet;
  • een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken;
  • een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet);
  • een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet.

Tegen de besluiten is door verschillende organisaties beroep ingesteld. De beroepsgrond tegen de Nb-wetvergunning wordt als eerste behandeld in de voorlopige voorziening. Omdat dit beroep gegrond wordt verklaard door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gaat hij niet meer in op de overige beroepsgronden.

De organisaties hebben in beroep aangevoerd dat de Nb-wetvergunning ten onrechte is verleend door de Minister van LNV, omdat:

  • er onvoldoende zekerheid bestaat over de effecten van de verruiming,
  • 0,7 % afname van laagdynamisch gebied (habitattype 1130) ten onrechte niet als significant effect wordt gezien nu er een herstelopgave voor dit habitattype bestaat en
  • omdat betwijfeld wordt of het zogenaamde ‘flexibel storten’ de afname van het laagdynamisch gebied kan tegengaan.

Overwegingen van de voorzitter
Significantie
In de passende beoordeling staat dat op korte termijn (2010) 43 hectare laagdynamisch gebied verloren gaat, wat overeenkomt met een afname van 0,7 %. Tijdens de zitting heeft de Minister van LNV aangegeven dat een effect van minder dan 1 % op zichzelf al als niet significant kan worden aangemerkt. Daarnaast is volgens de Minister sprake van een tijdelijk effect, waarbij de effecten optreden aan de randen van de platen. Op de middellange termijn (2015) treden volgens de Minister zelfs positieve effecten op, omdat met de methode ‘flexibel storten’ gestort wordt op de plaatranden, waardoor weer extra laagdynamisch gebied wordt gecreëerd.

In de overwegingen bij de vergunning heeft de Minister van LNV bij de beoordelingscriteria aangegeven dat een effect van minder dan 1% als niet significant wordt beschouwd, maar dat dit criterium niet wordt gehanteerd als een hersteldoel of verbeterdoel is geformuleerd. Volgens de Voorzitter is de Minister van haar eigen beoordelingscriteria afgeweken door te stellen dat minder dan 1 % op zichzelf al niet als significant kan worden beschouwd. Voor het estuarium van de Westerschelde geldt namelijk een verbeterdoelstelling en estuaria bevinden zich op landelijke schaal in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Gezien de verbeterdoelstelling vindt de Voorzitter het geen relevant gegeven dat de effecten alleen optreden aan de randen van de platen.

Onzekerheden
Zowel in het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. (waarbij het Tracébesluit het m.e.r.-plichtige besluit was), als in een verklaring van een deskundige die is geraadpleegd door één van de organisaties die in beroep is gegaan, als in het deskundigenbericht van de Stichting advisering bestuursrechtspraak wordt aangegeven dat er veel onzekerheden bestaan gezien de dynamiek van het natuurlijk systeem van de Westerschelde. Daarmee zijn ook de effecten van het flexibel storten onzeker. Uit deze geconstateerde onzekerheden leidt de Voorzitter af dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de stortingen op de plaatranden niet zullen leiden tot de daarmee beoogde effecten. Gezien deze onzekerheden komt de Voorzitter tot het voorlopige oordeel dat de minister van LNV niet met voldoende zekerheid heeft kunnen concluderen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen schorst de Voorzitter de Nb-wet-vergunning.

Uitspraak
Het verzoek tot voorlopige voorziening is gehonoreerd. De Nb-wet-vergunning wordt geschorst. Inmiddels is er een uitspraak gedaan in de hoofdzaak (ABRvS 13 januari 2010, 200806565/1/R1, 200903364/1/R1, 200903365/1/R1, 200903367/1/R1).