ECLI:NL:RVS:2008:BC6754

Betreft Regionaal bedrijventerrein Twente
Datum uitspraak 12-03-2008
Rechtsprekende instantie  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden bedrijventerreinen, Twente
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 200701994/1
JM 2008, 44 met noot Pieters

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Van geval tot geval moet beoordeeld worden tot welk detailniveau in een MER de informatie moet worden uitgewerkt om ten grondslag te kunnen worden gelegd aan de besluitvorming.
  • Impliciet blijkt dat van de zogenoemde ‘bandbreedtemethode’ gebruik kan worden gemaakt: Bij de ontwikkeling van een bedrijventerrein is op voorhand niet bekend welke bedrijven zich er precies zullen gaan vestigen. Op basis van bedrijfscategorieën kunnen er mogelijke concrete bedrijven ingevuld worden in modellen en de gemiddelde totaalemissie/hinder kan een indicatie vormen voor de toekomst. Door met een bandbreedte te werken ontstaat een beeld van de globale minimale en maximale gevolgen van een voornemen. Vooral vanwege het maximale beeld kunnen besluitnemers vervolgens beslissen of ze nog aanvullende maatregelen willen treffen. Maar voor een bedrijventerrein is het niet logisch om alleen maar van een worst-case benadering uit te gaan, want dat zou betekenen dat alleen de meest milieuhinderlijke bedrijven uitgaande van categorie 5 in het model gestopt zullen worden. Dat is niet reëel, omdat een dergelijk ontwikkeling zich nooit zal voordoen. De bandbreedte benadering geeft een redelijk zorgvuldig beeld van wat er zou kunnen gaan gebeuren. Een worst-case benadering geeft een vertekend beeld en zou ook er toe kunnen leiden dat omwonenden zich nog meer – onterechte – zorgen gaan maken.

Casus

Op 20 februari 2007 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Overijssel (GS) besloten over de goedkeuring van het bestemmingsplan “Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT)”zoals dat was vastgesteld door de gemeenteraad van Almelo op 11 juli 2006. Tegen dit goedkeuringsbesluit hebben appellanten beroep ingesteld. Appellanten betogen dat het milieueffectrapport (MER) dat is opgesteld ten behoeve van het vastleggen van de locatie van het bedrijventerrein in het streekplan niet zonder meer ten grondslag kan worden gelegd aan het bestemmingsplan. Zij betogen dat het MER wat betreft detailniveau en mate van uitgebreidheid niet aansluit op het bestemmingsplan en dat in het MER ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Het MER is opgesteld ten behoeve van het realiseren van het RBT met een omvang van ongeveer 130 hectare. Het plan voorziet onder meer in uit te werken bestemmingen voor de realisatie van bedrijven tot en met milieucategorie 5. Appellanten voeren in beroep verder aan dat de doorwerking van het MER en van enkele in de plantoelichting genoemde maatregelen in het plan onvoldoende verzekerd is, nu het plan deze niet afdwingbaar maakt. Appellanten voeren tot slot aan dat in het MER onvoldoende rekening is gehouden met de afvoer van hemel-, oppervlakte-, en afvalwater op het gebied ‘De Doorbraak’, dat naast het plangebied ligt.

Overwegingen van de bestuursrechter
Gelet op het detailniveau en de mate van concreetheid van het MER wordt in de omstandigheid dat dit rapport aanvankelijk is opgesteld ten behoeve van de herziening van het streekplan geen aanleiding gezien voor het oordeel dat GS zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit rapport kan worden betrokken bij de besluitvorming op bestemmingsplanniveau. Niet gebleken is immers van zodanig gewijzigde omstandigheden sinds het opstellen van het MER dat dit niet meer ten grondslag had kunnen worden gelegd aan het bestemmingsplan. Het MER voor de streekplanherziening was al zo gedetailleerd dat het ook ten grondslag gelegd kon worden aan de bestemmingsplanwijziging. Sterker nog, er was bij het opstellen van het voorliggende MER rekening gehouden met deze snelle besluitvorming in twee, kort op elkaar volgende fasen. Er was zowel een LocatieMER gemaakt als een InrichtingsMER. Beide rapporten zijn gelijktijdig door de Commissie voor de m.e.r. getoetst.
Appellanten hebben verder niet gemotiveerd waarom zij menen dat, zonder deze maatregelen nader te omschrijven, verschillende maatregelen uit de plantoelichting ten onrechte niet als verplichting in het plan zijn opgenomen. De enkele omstandigheid dat kennelijk het voornemen bestaat om bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein over te gaan tot het nemen van verschillende maatregelen, leidt niet tot het oordeel dat GS -in de omstandigheid dat niet alle maatregelen in het plan zijn overgenomen- aanleiding had moeten zien om goedkeuring aan het plan te onthouden. Gelet op hetgeen de Commissie voor de m.e.r. in haar advies opmerkt over het MER geeft hetgeen appellanten op het punt van de waterhuishouding hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in het MER onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van realisering van het RBT op de waterhuishouding van ‘De Doorbraak’.

Uitspraak
De beroepen worden ongegrond verklaard.