ECLI:NL:RBOBR:2018:1534

Betreft Omgevingsvergunning veehouderij Sint-Michielsgestel
Datum uitspraak 09-04-2018
Rechtsprekende instantie  Rechtbank
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Trefwoorden veehouderij, referentiesituatie, m.e.r.-beoordeling, Sint-Michielsgestel, varkenshouderij
Bronnen vindplaats

Zaaknummer 17_3112T 

Conclusies voor de m.e.r. praktijk

  • Voor de project-m.e.r.-beoordeling moet worden uitgegaan van de vergunde situatie en niet van de feitelijke situatie.
  • Bij een m.e.r.-beoordeling moet de legalisatie van een illegale situatie in de inrichting waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, worden meegenomen als een redelijkerwijs voorzienbare ontwikkeling. 

Casus

Op 29 september 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van een varkensstal voor het houden van 9000 biggen. De verandering ziet op het plaatsen van een ander luchtwassysteem op de bestaande stallen. In de bestaande situatie worden 9000 biggen en 9000 kippen gehouden.
Appellanten voeren aan dat de drempelwaarde van categorie D.14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. overschreden wordt omdat het gaat om de oprichting, wijziging of uitbreiding van installaties voor het houden van meer dan 3750 biggen. Ook zijn zij van mening dat bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling de zonder vergunning geplaatste mestscheidingsinstallatie had moeten worden betrokken. Deze is al sinds 2017 aanwezig en het college heeft er niet tegen opgetreden omdat een aanvraag zou worden ingediend.

Overwegingen van de bestuursrechter 
De rechtbank constateert dat eerder een vergunning is verleend voor het houden van 9000 biggen en 9000 legkippen, maar niet voor de mestscheidingsinstallatie. Nu de aanvraag alleen ziet op een nieuw luchtwassysteem, is geen sprake van een oprichting of wijziging van de inrichting. Het college was op de hoogte van de illegale mestscheidingsinstallatie en dat daar op 7 februari 2018 een aanvraag voor is ingediend. Ten onrechte is het college uitgegaan van de feitelijke en niet van de vergunde situatie. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanwezigheid van een illegale installatie op te vatten als een redelijkerwijs voorzienbare ontwikkeling die meegenomen moet worden in de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Nu dit niet is gedaan, heeft het college de vormvrije m.e.r.-beoordeling onvoldoende gemotiveerd.

Uitspraak 
De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om het gebrek te herstellen binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak en houdt iedere verdere beslissing aan.