ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

6 maart 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Milieu – Richtlijn 2011/92/EU – Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten – Artikel 2, lid 1, en artikel 4, lid 2 – Projecten die vallen onder bijlage II – Stadsontwikkelingsprojecten – Artikel 4, leden 4 en 5 – Verplichtingen van de opdrachtgever en de bevoegde instantie wanneer de betrokken lidstaat beslist om voor dergelijke projecten een besluit als bedoeld in die leden 4 en 5 te vereisen – Inaanmerkingneming van door een derde ingediende opmerkingen die wijzen op een potentieel effect van het betrokken project op een diersoort die onder de strikte bescherming van artikel 12 van richtlijn 92/43/EEG valt ”

In zaak C‑41/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (nationale rechter in eerste aanleg, Ierland) bij beslissing van 1 december 2023, ingekomen bij het Hof op 22 januari 2024, in de procedure

Waltham Abbey Residents Association

tegen

An Bord Pleanála,

Ireland,

The Attorney General,

in tegenwoordigheid van:

O’Flynn Construction Co. Unlimited Company,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, J. Passer (rapporteur) en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Waltham Abbey Residents Association, vertegenwoordigd door J. Devlin, SC, J. Kenny, BL, en D. Healy, solicitor,

–        An Bord Pleanála, vertegenwoordigd door B. Foley, SC, A. Carroll, BL, en P. Reilly, solicitor,

–        Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, S. Finnegan, K. Hoare en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door D. McGrath, SC, F. Valentine, SC, en E. O’Callaghan, BL,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Noll-Ehlers en N. Ruiz García als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB 2014 L 124, blz. 1; hierna: „richtlijn 2011/92”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Waltham Abbey Residents Association, een bewonersvereniging, enerzijds, en de An Bord Pleanála (agentschap voor ruimtelijke ordening, Ierland; hierna: „agentschap”), Ireland (Ierland) en de Attorney General (procureur-generaal, Ierland), anderzijds, betreffende een door het agentschap verleende vergunning voor een strategisch ontwikkelingsproject voor de bouw van woningen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2011/92

3        De overwegingen 7 tot en met 9 van richtlijn 2011/92 luiden:

„(7)      Voor openbare en particuliere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben dient alleen een vergunning te worden verleend na een beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten die deze projecten kunnen hebben. […]

(8)      Projecten van bepaalde categorieën hebben aanzienlijke gevolgen voor het milieu en die projecten moeten in beginsel aan een systematische milieueffectbeoordeling worden onderworpen.

(9)      Projecten van andere categorieën hebben niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen aanzienlijke gevolgen voor het milieu en die projecten moeten aan een beoordeling worden onderworpen wanneer de lidstaten menen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.”

4        Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten op het milieu plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.”

5        In artikel 3, lid 1, van die richtlijn is het volgende bepaald:

„Bij de milieueffectbeoordeling worden de directe en indirecte aanzienlijke effecten van een project per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende factoren:

[…]

b)      de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor op grond van richtlijn 92/43/EEG [van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 193) (hierna: ‚richtlijn 92/43’)] en richtlijn 2009/147/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010, L 20, blz. 7)] beschermde soorten en habitats;

[…]”

6        Artikel 4 van richtlijn 2011/92 luidt als volgt:

„1.      Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

2.      Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10, zulks:

a)      door middel van een onderzoek per geval,

of

b)      aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria.

De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen.

3.      Wanneer een onderzoek per geval wordt uitgevoerd of drempelwaarden of criteria worden vastgesteld met het oog op lid 2, moet met de relevante, in bijlage III vastgestelde selectiecriteria rekening worden gehouden. De lidstaten kunnen drempelwaarden of criteria vaststellen om te bepalen wanneer projecten niet hoeven te worden onderworpen aan het besluit op grond van de leden 4 en 5, en evenmin aan een milieueffectbeoordeling, en/of drempelwaarden of criteria vaststellen om te bepalen wanneer projecten in elk geval worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, maar niet aan een besluit op grond van de leden 4 en 5.

4.      Wanneer de lidstaten beslissen een besluit te vereisen voor in bijlage II genoemde projecten, verstrekt de opdrachtgever informatie over de kenmerken van het project en over de waarschijnlijk aanzienlijke effecten daarvan op het milieu. De gedetailleerde lijst van de te verstrekken informatie is vastgesteld in bijlage II.A. De opdrachtgever houdt, voor zover relevant, rekening met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten, die zijn gedaan op grond van andere wetgeving van de Unie dan deze richtlijn. De opdrachtgever kan tevens een beschrijving verstrekken van kenmerken van het project en/of van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

5.      De bevoegde instantie neemt haar besluit op basis van de door de opdrachtgever overeenkomstig lid 4 verstrekte informatie waarbij zij, voor zover relevant, rekening houdt met de resultaten van voorafgaande controles of op grond van andere milieuwetgeving van de Unie dan deze richtlijn uitgevoerde beoordelingen van de effecten op het milieu. Het besluit wordt openbaar gemaakt en:

a)      bevat, indien besloten wordt dat het project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, de belangrijkste redenen waarom het project aan een dergelijke beoordeling moet worden onderworpen, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van bijlage III, of

b)      bevat, indien besloten wordt dat het project niet aan een milieueffectbeoordeling hoeft te worden onderworpen, de belangrijkste redenen waarom het project niet aan een dergelijke beoordeling hoeft te worden onderworpen, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van de lijst van bijlage III, en, indien de opdrachtgever deze heeft voorgesteld, kenmerken van het project en/of geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

6.      De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie haar besluit zo snel mogelijk neemt, en uiterlijk binnen een termijn van 90 dagen na de datum waarop de opdrachtgever alle op grond van lid 4 vereiste informatie heeft ingediend. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld afhankelijk van de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het project, kan de bevoegde instantie die termijn verlengen; in dat geval deelt zij de opdrachtgever schriftelijk mee welke redenen aan de basis liggen van de termijnverlenging en op welke datum een besluit wordt verwacht.”

7        Bijlage II.A bij deze richtlijn bevat de lijst van „door de opdrachtgever te vertrekken informatie inzake de in bijlage II genoemde projecten” en luidt als volgt:

„1.      Een beschrijving van het project, met in het bijzonder:

a)      een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, voor zover relevant, van sloopwerken;

b)      een beschrijving van de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn.

2.      Een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project.

3.      Een beschrijving – voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is – van waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van:

a)      de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, indien van toepassing;

b)      het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

4.      Voor zover relevant wordt rekening gehouden met de criteria van bijlage III bij het verzamelen van de informatie overeenkomstig de punten 1 tot en met 3.”

8        Bijlage III bij deze richtlijn bepaalt de „criteria om vast te stellen of de in bijlage II genoemde projecten aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen”.

 Richtlijn 2014/52

9        In de overwegingen 11 en 29 van richtlijn 2014/52 staat te lezen:

„(11)      Maatregelen die worden genomen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu, in het bijzonder op ingevolge [richtlijn 92/43] en [richtlijn 2009/147] beschermde soorten en habitats, te vermijden, te voorkomen, te beperken en, indien mogelijk, te compenseren, moeten bijdragen tot het vermijden van elke achteruitgang van de milieukwaliteit en elk nettoverlies van biodiversiteit overeenkomstig de verbintenissen die de [Europese] Unie is aangegaan in het kader van het verdrag [van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit, ondertekend te Rio de Janeiro op 5 juni 1992] en de doelstellingen en acties van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 vastgelegd in de [aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s gerichte] mededeling van de Commissie van 3 mei 2011 getiteld ‚Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020’ [COM(2011) 244 definitief].

[…]

(29)      Om te bepalen of een project aanzienlijke milieueffecten kan veroorzaken, dienen de bevoegde instanties de meest relevante criteria te bepalen en rekening te houden met de informatie uit andere krachtens de wetgeving van de Unie vereiste beoordelingen om de screeningprocedure op doeltreffende en transparante wijze uit te voeren. In deze context is het raadzaam de inhoud van het screeningbesluit te bepalen, met name wanneer er geen milieueffectbeoordeling vereist is. Bovendien vormt het in aanmerking nemen van de eventueel door andere bronnen spontaan ingediende opmerkingen, bijvoorbeeld door het publiek of overheidsinstanties, een goede administratieve praktijk, ondanks het feit dat er tijdens de screeningfase geen formele raadpleging vereist is.”

 Richtlijn 92/43

10      In artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 is bepaald:

„Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.”

11      Artikel 12, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, [onder] a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:

a)      het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten;

b)      het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;

c)      het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur;

d)      de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.”

12      Bijlage IV, onder a), van die richtlijn vermeldt „[a]lle soorten” vleermuizen die onder „microchiroptera” vallen.

 Iers recht

 Regeling van 2001 inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling

13      Section 109 van de Planning and Development Regulations 2001 (regeling van 2001 inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling), in de versie zoals van toepassing op het hoofdgeding, bepaalt:

„[…]

(2B)      (a)      Wanneer een aanvraag voor een ontwikkelingsproject beneden de vastgestelde drempelwaarde niet vergezeld gaat van een milieueffectbeoordelingsrapport, maar vergezeld gaat van de in bijlage 7A en in lid 2A, bedoelde informatie, of wanneer een aanvrager deze informatie bij het agentschap indient overeenkomstig een vereiste uit hoofde van lid 2, onder b), ii), onderzoekt het agentschap ten minste de aard, de omvang of de ligging van het project.

(b)      Het agentschap stelt een screeningbesluit vast en

(i)      indien besloten wordt dat het voorgestelde project waarschijnlijk geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben, besluit het dat een milieueffectbeoordeling niet noodzakelijk is, of

(ii)      indien besloten wordt dat er een reële kans bestaat dat het voorgestelde project aanzienlijke milieueffecten zal hebben,

(I)      stelt het vast dat dit project dergelijke effecten kan hebben, en

(II)      verzoekt hij de aanvrager door middel van een schriftelijk advies om een milieueffectbeoordeling in te dienen en te voldoen aan de vereisten van section 112.

[…]

(4)      (a)      Bij zijn screeningbesluit op grond van lid 2B houdt het agentschap, om vast te stellen of er een reële kans bestaat dat het voorgestelde ontwikkelingsproject aanzienlijke milieueffecten zal hebben, rekening met

(i)      de criteria van bijlage 7,

(ii)      de overeenkomstig bijlage 7A ingediende informatie,

(iii)      aanvullende informatie, indien beschikbaar, als bedoeld in lid 2A, onder a), en de beschrijving, indien beschikbaar, als bedoeld in lid 2A, onder b),

(iv)      beschikbare resultaten, voor zover relevant, van screenings of milieueffectbeoordelingen die zijn uitgevoerd op grond van andere wetgeving van de Unie dan [richtlijn 2011/92], en

(v)      aanzienlijke effecten op een gebied, zone, ruimte, plaats of element, voor zover van toepassing in verband met een project dat zich zou bevinden op of in, of een potentieel effect zou hebben op

(I)      een Europees gebied,

(II)      een zone die overeenkomstig section 16, lid 2, onder b), van de Wildlife (Amendment) Act 2000 (No. 38 of 2000) [wet nr. 38 van 2000 op de fauna en flora (wijziging)] is meegedeeld,

(III)      een zone die is aangewezen als natuurlijk erfgoed op grond van section 18 van wet nr. 38 van 2000 op de fauna en flora (wijziging),

(IV)      gronden die zijn aangewezen of erkend als natuurreservaat in de zin van de sections 15 of 16 van de Wildlife Act 1976 (No. 39 of 1976) (wet nr. 39 van 1976 op de fauna en flora),

(V)      gronden die zijn aangewezen als toevluchtsoord voor fauna en flora op grond van section 17 van wet nr. 39 van 1976 op de fauna en flora,

(VI)      een ruimte, een gebied of een element van ecologisch belang waarvan het behoud, de instandhouding of de bescherming een doelstelling is van een ontwikkelingsplan of een lokaal stedenbouwkundig plan, van een ontwerp van een ontwikkelingsplan of van een ontwerp van een lokaal stedenbouwkundig plan, of van een voorgestelde wijziging van het ontwikkelingsplan voor de zone waarin de ontwikkeling wordt voorgesteld, of

(VII)      een plan of gebied dat door de minister of Culture, Heritage and the Gaeltacht [(minister van Cultuur, Erfgoed en Gaeltacht, Ierland)] is opgenomen in een voorgestelde lijst van zones van natuurlijk erfgoed die is gepubliceerd op de website van de National Parks and Wildlife Services [(dienst voor nationale parken en wilde dieren, Ierland)].

(b)      Het screeningbesluit van het agentschap op grond van lid 2B met betrekking tot de vraag of er, naargelang van het geval, een reële kans bestaat dat het ontwikkelingsproject aanzienlijke milieueffecten zal hebben, met inbegrip van de voornaamste redenen en overwegingen in het licht van de in bijlage 7 genoemde relevante criteria waarop dat besluit is gebaseerd, en elke kennisgeving overeenkomstig lid 2C, onder c), worden samengevoegd en bewaard met de documenten betreffende de aanvraag van het ontwikkelingsproject.

(5)      Indien het op grond van lid 2B vastgestelde screeningbesluit aangeeft dat het voorgestelde ontwikkelingsproject waarschijnlijk geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben en de aanvrager op grond van lid 2A, onder b), een beschrijving heeft verstrekt van de kenmerken, indien van toepassing, van het voorgestelde ontwikkelingsproject, en van de maatregelen, indien van toepassing, om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke negatieve milieueffecten zouden zijn geweest, specificeert het agentschap die kenmerken en, indien van toepassing, de maatregelen in dat besluit.

[…]”

14      In section 299B, lid 2, van deze regeling is bepaald:

„(b)      (i)      Wanneer de in lid 1, onder b), ii), II), bedoelde informatie door de aanvrager is verstrekt, onderzoekt het agentschap ten minste de aard, de omvang of de ligging van het ontwikkelingsproject met het oog op een screeningbesluit.

(ii)      Het agentschap stelt een screeningbesluit vast en

(I)      indien besloten wordt dat het voorgestelde project waarschijnlijk geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben, besluit het dat een milieueffectbeoordeling niet noodzakelijk is, of

(II)      indien besloten wordt dat er een reële kans bestaat dat het voorgestelde project aanzienlijke milieueffecten zal hebben,

(A)      stelt het vast dat het ontwikkelingsproject waarschijnlijk dergelijke effecten zal hebben, en

(B)      besluit het geen gevolg te geven aan de aanvraag overeenkomstig section 8, lid 3, onder a), van de Planning and Development (Housing and Residential Tenancies) Act 2016 [wet van 2016 inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling (huisvesting) en woningverhuur (hierna: ‚wet van 2016’)].”

 Wet van 2016

15      Section 8, lid 3, van de wet van 2016 luidt als volgt:

„(a)      Het agentschap kan besluiten om geen gevolg te geven aan een op grond van section 4, lid 1, ingediende aanvraag wanneer het van oordeel is dat de vergunningsaanvraag, het milieueffectbeoordelingsrapport, of, indien van toepassing, de milieueffectverklaring, ontoereikend of onvolledig is, met name rekening houdend met de vergunningsregelingen en alle regelingen die zijn vastgesteld op grond van section 12 of section 177 van de [Planning and Development Act 2000 (wet van 2000 inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling)], of met raadplegingen uit hoofde van section 6.

[…]”

16      In section 9, lid 5, van de wet van 2016 is bepaald:

„Wanneer het agentschap zijn functies krachtens section 8, lid 3, om geen gevolg te geven aan een aanvraag, niet heeft uitgeoefend, mag geen enkele bepaling in dit lid aldus worden uitgelegd dat zij het agentschap belet een vergunning voor een strategisch woningbouwproject te weigeren wat een aanvraag op grond van section 4 betreft, wanneer het van oordeel is dat het ontwikkelingsproject overhaast zou zijn wegens de ontoereikende of onvolledige aard van het milieueffectbeoordelingsrapport of, in voorkomend geval, van de bij de vergunningsaanvraag ingediende milieueffectverklaring.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17      Het hoofdgeding betreft een strategisch ontwikkelingsproject voor de bouw van 123 appartementen en de daarmee verband houdende werkzaamheden te Ballincollig (Ierland).

18      Met het oog op de vergunningsaanvraag voor dit project is een boomstudie uitgevoerd en zijn namens de opdrachtgever twee screeningverslagen opgesteld, het eerste met het oog op de milieueffectbeoordeling van dat project als bedoeld in richtlijn 2011/92 (hierna: „MEB”) en het tweede met het oog op de passende beoordeling van de gevolgen van dat project voor de gebieden die zijn aangewezen als speciale instandhoudingszones of speciale beschermingszones, als bedoeld in artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43.

19      Het eerste verslag bevat geen specifieke analyse van de fauna en flora, verwijst niet naar de impact van dat project op vleermuizen en de daarin opgenomen beoordelingstabel verwijst niet naar de biodiversiteit. In het tweede verslag wordt evenmin specifiek melding gemaakt van de daadwerkelijke impact van het project op vleermuizen, aangezien dit rapport slechts een algemene verwijzing bevat naar het feit dat „verstoring van fauna rechtstreeks kan voortvloeien uit habitatverlies (bijvoorbeeld nesten voor vleermuizen) of indirect uit lawaai, trillingen en toegenomen activiteit die verband houden met de bouw en de exploitatie”. De enige verwijzing naar de biodiversiteit is te vinden in dit tweede verslag, waarin echter enkel wordt verwezen naar de Natura 2000-gebieden en niet naar het ecosysteem van de ontwikkelingssite zelf.

20      Wat de beoordeling van de boomkweek betreft, daarvoor is slechts één dag uitgetrokken en daarbij is vastgesteld dat 13 bomen moesten worden gekapt. In het kader van deze beoordeling is geen rekening gehouden met het daadwerkelijke of potentiële gebruik van de bomen door vleermuizen of met de vraag of de locatie in kwestie door hen werd gebruikt voor het zoeken naar voedsel of voor verplaatsingen. Terwijl in het MEB-screeningverslag wordt voorgesteld om de bestaande vegetatie op deze locatie „voor zover mogelijk” in stand te houden en wordt verklaard dat de verbetering ervan door middel van nieuwe maatregelen inzake landschapsbeheer ertoe zal leiden dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde project een positief effect heeft op de biodiversiteit, zouden in feite een aantal bomen worden gekapt, waaronder een bepaald aantal cipressen en twee van de zes eiken die zich op die locatie bevinden.

21      Op 7 juli 2020 heeft verzoekster in het hoofdgeding bij het agentschap opmerkingen ingediend waarbij zij aangaf dat de voorgenomen ontwikkelingssite zich in de onmiddellijke nabijheid van een ecologische corridor op de rivier Lee bevond, en heeft zij bericht over visuele waarnemingen van vleermuizen op die locatie, waarbij zij op basis van een in 2016 uitgevoerde studie van de vleermuisfauna met name heeft opgemerkt dat “[d]e huidige waarnemingen van vleermuizen in de onmiddellijke omgeving [aantoonden] dat er verschillende soorten vleermuizen [waren] die gebruikmaken van de riviercorridor en [dat] de doorslaggevende gevolgen voor deze dieren [voortvloeiden] uit het mogelijke verlies van nestkastjes en het verlies van foerageergebieden en verstoringen van de verplaatsingsroutes”.

22      Op 11 september 2020 heeft de onderzoeker aanbevolen een vergunning te verlenen. Hij was van mening dat de locatie in kwestie in het algemeen geen geschikte habitats bood voor wilde dieren of instandhoudingswaardige soorten, maar stelde dat de bomen moesten worden gekapt overeenkomstig het advies van een naar behoren gekwalificeerde ecoloog om mogelijke gevolgen van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde project voor vleermuizen te vermijden. De onderzoeker heeft geen MEB-screening uitgevoerd en heeft na een voorbereidende studie de noodzaak van een dergelijke screening uitgesloten.

23      Bij besluit van 16 september 2020 heeft het agentschap voor dit project een vergunning verleend zonder een MEB te hebben vereist en zonder andere informatie over de aanwezigheid van vleermuizen te hebben ingewonnen. Op basis van zijn eigen screening betreffende de noodzaak om het project aan een MEB te onderwerpen, heeft het immers geoordeeld dat „in het desbetreffende verslag van de opdrachtgever de directe, indirecte en cumulatieve milieueffecten van het voorgestelde project [werden] aangegeven en op passende wijze beschreven”, en geconcludeerd dat „de voorgenomen ontwikkeling, gezien de aard, de omvang en de ligging van de betrokken site, waarschijnlijk geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben”. De opdrachtgever is niet om aanvullende informatie verzocht naar aanleiding van de opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding. Overeenkomstig een aanbeveling van de onderzoeker bevat de aldus verleende vergunning echter de volgende voorwaarde:

„21.      De op de site te verwijderen bomen moeten aan het einde van de zomer of in de herfst worden gekapt. Elke hinder die vleermuizen ondervinden op die site moet worden aangepakt op een manier die schriftelijk moet worden overeengekomen met de voor ruimtelijke ordening bevoegde instantie, op advies van een gekwalificeerde ecoloog.

Reden: In het belang van natuurbehoud.”

24      Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de High Court (nationale rechter in eerste aanleg, Ierland), de verwijzende rechter. In de eerste plaats vraagt deze rechter zich af of richtlijn 2011/92 met name vereist dat de opdrachtgever alle relevante informatie verzamelt over de soorten of habitats die door het betrokken project zouden kunnen worden geraakt, door passende wetenschappelijke studies uit te voeren of te verkrijgen om elke twijfel over de aanzienlijke gevolgen van dat project voor dergelijke soorten of habitats weg te nemen. Hij vraagt zich bovendien af welke eventuele verplichtingen op de opdrachtgever en op de bevoegde instantie rusten wanneer een derde aan die instantie aanvullende informatie verstrekt die objectief gezien twijfel kan doen rijzen over de milieueffecten van dit project.

25      In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich af welke drempel moet worden toegepast, namelijk of het agentschap elke redelijke twijfel over de aanzienlijke milieueffecten van dat project moet wegnemen of eenvoudigweg een „redelijk” besluit moet nemen op basis van de documenten waarover het beschikt. Volgens deze rechter is het besluit om in het onderhavige geval geen MEB uit te voeren onrechtmatig indien een besluit volgens hetwelk geen MEB nodig is, vereist dat elke redelijke twijfel uitgesloten is. Daarentegen bestaan er factoren waardoor het besluit van het agentschap redelijk zou zijn indien de test simpelweg betrekking heeft op de redelijkheid van een dergelijk besluit en niet op het uitsluiten van elke twijfel.

26      In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af welke gevolgen voor de in de punten 24 en 25 van het onderhavige arrest bedoelde aspecten voortvloeien uit het feit dat de twijfels die verzoekster in het hoofdgeding heeft geuit in haar opmerkingen van 7 juli 2020 betrekking hebben op soorten die onder de strikte bescherming van artikel 12 van richtlijn 92/43 vallen.

27      Tegen deze achtergrond heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Leiden artikel 4, lid 4, van en/of punt 3 van bijlage II.A bij richtlijn 2011/92 en uitgelegd in het licht van het voorzorgsbeginsel, ertoe dat, wanneer de in bijlage II.A bij de richtlijn bedoelde informatie moet worden verstrekt en de bevoegde instantie over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het project gevolgen kan hebben voor een soort of habitat, de betrokken opdrachtgever alle relevante informatie dient te verzamelen over de soorten of habitats die door het project kunnen worden geraakt, door wetenschappelijk onderzoek te verrichten of te verkrijgen dat toereikend is om elke twijfel weg te nemen over aanzienlijke effecten voor die soorten of habitats, en dat bij ontbreken van dergelijke onderzoeksresultaten de bevoegde instantie daarvan in kennis moet worden gesteld en haar handelwijze moet baseren op het ontbreken van voldoende informatie om elke twijfel uit te sluiten over de vraag of het project aanzienlijke milieueffecten zal hebben?

2)      Leiden artikel 4, lid 4, van en/of punt 3 van bijlage II.A bij [richtlijn 2011/92] en uitgelegd in het licht van het voorzorgsbeginsel, ertoe dat, wanneer de in bijlage II.A bij de richtlijn bedoelde informatie moet worden verstrekt, de bevoegde instantie verplicht is om elke twijfel over mogelijke aanzienlijke milieueffecten uit te sluiten indien zij voornemens is het project niet te onderwerpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn, zodat, wanneer in het kader van een vaststelling overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de richtlijn een bevoegde instantie objectief gezien niet over toereikende informatie beschikt om twijfel uit te sluiten over de vraag of het project aanzienlijke milieueffecten zal hebben, het project moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn?

3)      Indien de eerste vraag in het algemeen ontkennend wordt beantwoord, doen dergelijke effecten zich dan voor wanneer het mogelijke aanzienlijke milieueffect erin bestaat dat het project gevolgen kan hebben voor soorten die krachtens artikel 12 van richtlijn 92/43 strikt worden beschermd, met name gelet op het belang van deze soorten zoals erkend in artikel 3, lid 1, onder b), van richtlijn 2011/92 en overweging 11 van richtlijn 2014/52?

4)      Leiden artikel 4, lid 4, van en/of punt 3 van bijlage II.A bij [richtlijn 2011/92] en uitgelegd in het licht van het voorzorgsbeginsel, ertoe dat, indien de bevoegde instantie, nadat de opdrachtgever haar overeenkomstig bijlage II.A bij de richtlijn informatie heeft verstrekt, van een andere partij aanvullende informatie ontvangt die objectief gezien twijfel kan doen rijzen over de milieueffecten van het project, ofwel de opdrachtgever de bevoegde instantie aanvullende informatie moet verstrekken waardoor deze twijfel kan worden uitgesloten of de bevoegde instantie ervan in kennis moet stellen dat dergelijke informatie ontbreekt, ofwel de bevoegde instantie zelf gehouden is aanvullende informatie te verkrijgen die deze twijfel uitsluit of vast te stellen dat een beoordeling op grond van de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn vereist is omdat er onvoldoende informatie is om twijfel uit te sluiten over de vraag of het project aanzienlijke milieueffecten zal hebben?

5)      Indien de vierde vraag in het algemeen ontkennend wordt beantwoord, doen dergelijke effecten zich dan voor wanneer het mogelijke aanzienlijke milieueffect erin bestaat dat het project gevolgen kan hebben voor soorten die krachtens artikel 12 van [richtlijn 92/43] strikt worden beschermd, met name gelet op het belang van deze soorten zoals erkend in artikel 3, lid 1, onder b), van richtlijn 2011/92 en overweging 11 van richtlijn 2014/52?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

28      Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/92 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een derde in het kader van een op grond van deze bepaling gevoerde screeningprocedure aan de bevoegde instantie informatie heeft verstrekt die objectief gezien twijfel kan doen rijzen over de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van dit project, in het bijzonder met betrekking tot een op grond van richtlijn 92/43 beschermde soort, de opdrachtgever of, in voorkomend geval, de bevoegde instantie zelf alle relevante informatie moet verzamelen teneinde elke twijfel omtrent die effecten weg te nemen en deze instantie moet besluiten dat een MEB noodzakelijk is indien die twijfel niet kan worden uitgesloten.

29      Krachtens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2011/92 moeten projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, in de zin van artikel 4 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage I of II ervan, aan een MEB worden onderworpen voordat de vergunning wordt verleend (arrest van 28 februari 2018, Comune di Castelbellino, C‑117/17, EU:C:2018:129, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/92 preciseert dat, onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, van die richtlijn, de in bijlage I genoemde projecten worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 ervan. Deze projecten worden dus geacht noodzakelijkerwijs een risico in te houden op aanzienlijke milieueffecten.

31      Voor de in bijlage II bij richtlijn 2011/92 genoemde projecten bepaalt artikel 4, lid 2, van die richtlijn dat de lidstaten bepalen of het betrokken project al dan niet moet worden onderworpen aan een MEB door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria, of in voorkomend geval, aan de hand van beide procedures. Zoals blijkt uit deze bepaling, gelezen in samenhang met overweging 9 van deze richtlijn, hebben deze projecten niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen aanzienlijke gevolgen voor het milieu, zodat zij slechts aan een beoordeling moeten worden onderworpen wanneer de lidstaten menen dat zij dergelijke gevolgen kunnen hebben.

32      In dat verband verduidelijkt artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/92 dat de lidstaten drempelwaarden of criteria kunnen vaststellen om te bepalen wanneer projecten niet hoeven te worden onderworpen aan het besluit op grond van de leden 4 en 5 van dit artikel en evenmin aan een MEB, en/of drempelwaarden of criteria vaststellen om te bepalen wanneer projecten in elk geval worden onderworpen aan een MEB, maar niet aan een besluit op grond van de leden 4 en 5.

33      Ten slotte, wanneer de lidstaten menen dat een dergelijk besluit vereist is, voorziet artikel 4, leden 4 en 5, in een screeningprocedure die als volgt verloopt.

34      Ten eerste verstrekt de opdrachtgever informatie over de kenmerken van het betrokken project en over de waarschijnlijk aanzienlijke effecten daarvan op het milieu. De gedetailleerde lijst van de te verstrekken informatie is vastgesteld in bijlage II.A bij richtlijn 2011/92. Deze informatie moet een beschrijving bevatten van de elementen van het milieu die aanzienlijk kunnen worden geraakt door het project en een beschrijving van alle waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project, voor zover er informatie over dergelijke effecten beschikbaar is. De opdrachtgever kan tevens een beschrijving verstrekken van alle kenmerken van het project en/of van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

35      Ten tweede neemt de bevoegde instantie haar besluit op basis van de aldus door de opdrachtgever verstrekte informatie, rekening houdend met de relevante selectiecriteria van bijlage III bij richtlijn 2011/92.

36      In dit kader wordt in voorkomend geval ook rekening gehouden, enerzijds, door de opdrachtgever met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten van het betrokken project die zijn gedaan op grond van andere wetgeving van de Unie dan richtlijn 2011/92 en, anderzijds, door de bevoegde instantie met de resultaten van voorafgaande controles of op grond van die milieuwetgeving uitgevoerde beoordelingen van de effecten op het milieu.

37      Ten derde wordt het besluit openbaar gemaakt en bevat het met name de belangrijkste redenen waarom het project al dan niet aan een MEB moet worden onderworpen, waarbij wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij richtlijn 2011/92.

38      Richtlijn 2011/92 voorziet daarentegen niet uitdrukkelijk in een verplichting tot raadpleging van het publiek tijdens deze screeningprocedure. Overweging 29 van richtlijn 2014/52, waarin de doelstelling van artikel 4, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/92 wordt verduidelijkt, preciseert immers dat „het in aanmerking nemen van de eventueel door andere bronnen spontaan ingediende opmerkingen, bijvoorbeeld door het publiek of overheidsinstanties, een goede administratieve praktijk [vormt]”, waarbij evenwel wordt vermeld dat „er tijdens de screeningfase geen formele raadpleging vereist is”.

39      Evenmin definieert richtlijn 2011/92 de gevallen waarin de bevoegde instantie de opdrachtgever om aanvullende informatie kan of moet verzoeken.

40      Bijgevolg voorziet richtlijn 2011/92 niet uitdrukkelijk in de verplichting voor de bevoegde instantie om, nadat een derde opmerkingen bij haar heeft ingediend over mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het betrokken project, de opdrachtgever om aanvullende informatie te verzoeken of zelf die informatie in te winnen.

41      Volgens de rechtspraak van het Hof volgt evenwel uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2011/92 dat een MEB moet worden verricht zodra het waarschijnlijk is of er een risico bestaat dat het betrokken project aanzienlijke milieueffecten heeft. Gelet op het voorzorgsbeginsel, dat een van de grondslagen van het beleid van de Unie is om op milieugebied een hoog beschermingsniveau na te streven, tegen de achtergrond van welk beginsel richtlijn 2011/92 moet worden uitgelegd, wordt dit risico geacht te bestaan wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat dit project aanzienlijke milieueffecten kan hebben (zie in die zin arrest van 31 mei 2018, Commissie/Polen, C‑526/16, EU:C:2018:356, punten 66 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      Hieruit volgt dat het in het kader van de screeningprocedure, die ertoe strekt vast te stellen of een MEB noodzakelijk is, aan de bevoegde instantie is om rekening te houden met alle relevante informatie waarover zij beschikt, met inbegrip van informatie die haar spontaan door een derde is verstrekt, wanneer die informatie objectieve gegevens bevat aan de hand waarvan zij kan beoordelen of er een risico bestaat dat het project aanzienlijke milieueffecten heeft.

43      Indien de bevoegde instantie op basis van de informatie die haar door een derde is verstrekt, van oordeel is dat niet kan worden uitgesloten dat het betrokken project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, moet zij de opdrachtgever bovendien in de gelegenheid stellen om haar aanvullende informatie te verstrekken alvorens te besluiten of een MEB al dan niet noodzakelijk is voor dat project. Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 4, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/92, speelt de opdrachtgever immers een doorslaggevende rol bij het verstrekken van de informatie die de bevoegde instantie in staat stelt het besluit te nemen. Daartoe, en in het bijzonder om de verplichting tot het verrichten van een milieueffectbeoordeling te beperken tot projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, moet deze instantie over zo volledig mogelijke informatie beschikken.

44      Voorts kan de bevoegde instantie niet tot de slotsom komen dat er een risico bestaat dat het project aanzienlijke milieueffecten heeft op grond dat de door de opdrachtgever verstrekte informatie onvolledig is, zonder hem eerst om aanvullende informatie te hebben verzocht.

45      Indien de bevoegde instantie daarentegen, ondanks de door een derde verstrekte gegevens, op basis van objectieve gegevens kan uitsluiten dat het betrokken project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kan deze instantie besluiten dat een MEB niet noodzakelijk is, zonder dat zij gehouden is de opdrachtgever om aanvullende informatie te verzoeken.

46      Hieraan moet worden toegevoegd dat, ten eerste, volgens de rechtspraak van het Hof een project wordt geacht aanzienlijke milieueffecten te kunnen hebben wanneer het naar zijn aard milieufactoren zoals de fauna en flora, de bodem of het water, ongeacht de omvang ervan, wezenlijk of onomkeerbaar dreigt te veranderen (arrest van 31 mei 2018, Commissie/Polen, C‑526/16, EU:C:2018:356, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      Ten tweede is, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, de formulering van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2011/92 in wezen gelijk aan die van artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 (zie in die zin arrest van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging, C‑127/02, EU:C:2004:482, punt 42).

48      In dat verband impliceert volgens de rechtspraak van het Hof de in artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 gestelde voorwaarde dat er bij twijfel over het ontbreken van significante gevolgen een dergelijke beoordeling moet plaatsvinden (zie in die zin arrest van 26 mei 2011, Commissie/België, C‑538/09, EU:C:2011:349, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft echter eveneens geoordeeld dat dit artikel 6, lid 3, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een bevoegde instantie van een lidstaat besluit om voor een plan of project dat gevolgen kan hebben voor een uit hoofde van die richtlijn beschermd gebied, een vergunning te verlenen zonder dat een passende beoordeling in de zin van deze bepaling wordt verlangd, deze instantie afdoende moet onderbouwen op welke gronden zij vóór de verlening van een dergelijke vergunning de zekerheid heeft verkregen, ondanks andersluidende adviezen en de redelijke twijfels die daarin eventueel zijn geuit, dat elke redelijke wetenschappelijke twijfel over mogelijke significante gevolgen van dat project voor het betrokken gebied was uitgesloten (arrest van 15 juni 2023, Eco Advocacy, C‑721/21, EU:C:2023:477, punt 43).

49      Hieruit dient te worden afgeleid dat in het kader van een screeningprocedure op grond van richtlijn 2011/92 twee voorwaarden moeten zijn vervuld opdat de bevoegde instantie, gelet op de door een derde bij haar ingediende opmerkingen, de opdrachtgever om aanvullende informatie moet verzoeken. Ten eerste moeten deze opmerkingen betrekking hebben op mogelijke „aanzienlijke” milieueffecten van het betrokken project. Ten tweede is het noodzakelijk dat de opmerkingen in kwestie daadwerkelijk van dien aard zijn dat zij in de weg staan aan de slotsom dat elke redelijke wetenschappelijke twijfel over mogelijke aanzienlijke milieueffecten van dat project uitgesloten is.

50      Het staat aan de verwijzende rechter om te bepalen of het agentschap, gelet op de gegevens waarover het beschikte bij de vaststelling van het besluit van 16 september 2020, met inbegrip van de door verzoekster in het hoofdgeding in het kader van haar opmerkingen van 7 juli 2020 verstrekte gegevens, de zekerheid kon verkrijgen, ondanks de in die opmerkingen vervatte gegevens, dat elke redelijke wetenschappelijke twijfel was uitgesloten wat de mogelijkheid betreft dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde project aanzienlijke milieueffecten heeft, in het bijzonder voor krachtens richtlijn 92/43 beschermde soorten.

51      Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 4, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/92 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een derde in het kader van een op grond van deze bepaling gevoerde screeningprocedure aan de bevoegde instantie objectieve gegevens heeft verstrekt over de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het betrokken project, in het bijzonder voor een krachtens richtlijn 92/43 beschermde soort, deze instantie de opdrachtgever om aanvullende informatie moet verzoeken en daarmee rekening moet houden alvorens te besluiten of een MEB al dan niet noodzakelijk is voor dat project. Indien de bevoegde instantie daarentegen, ondanks de door die derde bij haar ingediende opmerkingen, op basis van objectieve gegevens kan uitsluiten dat het betrokken project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kan deze instantie besluiten dat een MEB niet noodzakelijk is, zonder dat zij gehouden is de opdrachtgever om aanvullende informatie te verzoeken.

 Kosten

52      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 4, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014,

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer een derde in het kader van een op grond van deze bepaling gevoerde screeningprocedure aan de bevoegde instantie objectieve gegevens heeft verstrekt over de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het betrokken project, in het bijzonder voor een soort die wordt beschermd krachtens richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013, deze instantie de opdrachtgever om aanvullende informatie moet verzoeken en daarmee rekening moet houden alvorens te besluiten of een milieueffectbeoordeling al dan niet noodzakelijk is voor dat project. Indien de bevoegde instantie daarentegen, ondanks de door die derde bij haar ingediende opmerkingen, op basis van objectieve gegevens kan uitsluiten dat het betrokken project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kan deze instantie besluiten dat een milieueffectbeoordeling niet noodzakelijk is, zonder dat zij gehouden is de opdrachtgever om aanvullende informatie te verzoeken.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.