Overige wetgeving

Crisis- en herstelwet en m.e.r.

Op 31 maart 2010 trad de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking met als doel versnelde uitvoering van infrastructurele en andere grote bouwprojecten. Bestrijding van de economische crisis rechtvaardigde afwijking van bestaande wetgeving tot 1 januari 2014.

Voor m.e.r. betekent dit dat het beschrijven van alternatieven en toetsing door de Commissie m.e.r. bij een aantal type projecten niet langer verplicht is.

Recent is een voor m.e.r. relevante wijziging doorgevoerd. Daarnaast is een wetsvoorstel in behandeling dat de Crisis- en herstelwet voor onbepaalde tijd verlengt.

1. Wijziging per 31 december 2011: alternatieven in beeld
De m.e.r.-regeling in de Chw is aangevuld. De Chw bepaalde dat er voor de projecten, genoemd in bijlage II van de Chw, geen alternatievenonderzoek nodig was. Dit is niet in overeenstemming met het Europese recht. De wetswijziging bepaalt nu dat het MER een schets van onderzochte alternatieven moet bevatten.

2. Crisis- en herstelwet niet permanent, wel verlengd voor onbepaalde tijd
De regering bepleitte het wijzigen en permanent maken van de Chw en enkele andere wetten. De voorstellen daartoe zijn ter advisering aan de Raad van State aangeboden. Het advies van de Raad van State heeft geleid tot een vernieuwd wetsvoorstel dat is goedgekeurd. Het geactualiseerd wetsvoorstel maakt de Chw niet permanent, maar verlengt deze voor onbepaalde tijd.

Voor m.e.r. betekent de verlenging dat voor bepaalde projecten geen alternatievenonderzoek en geen toetsing door de Commissie m.e.r. meer nodig is. Dit geldt voor:

  • projecten uit bijlage II, die pas na 1 januari 2014 starten
  • projecten die nog worden toegevoegd aan Bijlage II met de aanvullingen via de tranches van het Besluit uitvoering Chw. Dit betreft een nog onbekend aantal projecten op het terrein van ruimtelijke ordening en infrastructuur.
  • projecten van nationale betekenis die op grond van artikel 2.18 Chw zijn en nog worden aangewezen. Ook hier gaat het nog om een onbekend aantal projecten.

De Commissie heeft tijdens een hoorzitting van de Vaste Kamercommissie Infrastructuur en Milieu, op  29 februari 2012 gesproken. De conclusies van haar bijdrage zijn:

  • Aan bijlage II Chw kunnen zonder beperkingen in tijd en omvang complexe projecten toegevoegd worden. Juist die projecten waarvoor alternatievenonderzoek en onafhankelijke toetsing essentieel zijn voor de kwaliteit van de besluitvorming. Dit is strijdig met de uitgangspunten van 'Modernisering m.e.r.', Europees recht en 'Elverding'.
  • Het primaat van de wetgever wordt geschonden: de reikwijdte van een wet met 'uitzonderingen op de regel' wordt vooruitlopend op een stelselwijziging met de nieuwe Omgevingswet, op Amvb-niveau (op voordracht van een enkele vakminister) tot in lengte van dagen - dus ook zonder een nieuwe Omgevingswet - bepaald.
  • Het wetsvoorstel voorziet de facto wel degelijk in het permanent maken van regelingen die als tijdelijk zijn bedoeld en waaraan voorafgaand geen analyse is verricht. Het wetsvoorstel is daarmee in strijd met het advies van de Raad van State en zou - minimaal - moeten worden opgeschort tot de evaluaties zijn afgerond.
  • In elk geval moet de werking van artikel 1.11 Chw in de tijd beperkt worden conform de huidige regeling van de Chw.  Daarom heeft de Commissie m.e.r. een voorstel gedaan.

Lees verder de Bespreekpuntenmemo en de Achtergrondnotitie.

 

Wabo en m.e.r.


De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is sinds 1 oktober 2010 in werking. 

Artikel 1.27 van het Invoeringsbesluit Wabo (Stb. 2010, 144) wijzigt het Besluit mer. De 'omgevingsvergunning' is het m.e.r.-plichtige besluit bij bepaalde projecten en niet alleen de 'milieu'vergunning, zoals bij veehouderijen, bepaalde mijnbouwprojecten en andere milieu-inrichtingen. Hierdoor kan de scope van m.e.r. worden verruimd.
De omgevingsvergunning kan verschillende juridische activiteiten bevatten, bijvoorbeeld tegelijkertijd zowel de 'oude' Wm-vergunning als het 'oude' projectbesluit.

Voor de vraag waar het MER over moet gaan, is van belang te weten waar het te nemen m.e.r.-plichtige besluit over gaat. Welke juridische activiteiten bevat de omgevingsvergunning voor het m.e.r.-plichtige project:

  • de 'oude' Wm-vergunning;
  • het 'oude' projectbesluit, bij inwerkingtreding van de Wabo heet dit een 'afwijking van het bestemmingsplan';
  • de Nbwet-vergunning of Ffw-ontheffing die kunnen worden 'aangehaakt' aan de omgevingsvergunning.

Voor de afwijking van het bestemmingsplan moet eventueel locatiealternatieven worden beschreven of een onderbouwing van de locatiekeuze. Voor de toestemming op grond van de Nbwet zal vaak een passende beoordeling nodig zijn. Of de omgevingsvergunning ook bijvoorbeeld een 'oude' bouwvergunning, kapvergunning of sloopvergunning bevat, is voor de inhoud van het MER voor de omgevingsvergunning niet of nauwelijks relevant.

Gefaseerde vergunningverlening
De omgevingsvergunning kan in twee fasen worden aangevraagd. Bijvoorbeeld:

  • fase 1: toestemming om bomen te kappen en toestemming op grond van de Nbwet;
  • fase 2: toestemming om af te wijken van het bestemmingsplan en 'oude' Wm-vergunning.

In de vergunningaanvraag voor fase 1 moet al beschreven worden wat het gehele project in gaat houden en welke juridische activiteiten in de fase 2 vergunningaanvraag worden aangevraagd. Over fase 1 en fase 2 worden aparte besluiten genomen. Deze besluiten zijn ook ieder voor beroep vatbaar. De initiatiefnemer kan pas aan de slag met zijn project als beide vergunningen verleend zijn. Juridisch gezien vormen ze samen de omgevingsvergunning.

In de wetgeving was tot 1 april 2011 niet geregeld hoe de m.e.r.-procedure vormgegeven moet worden bij een gefaseerde omgevingsvergunning. Met het Wijzigingsbesluit voor een nieuw Besluit m.e.r. is ook het Besluit omgevingsrecht (Bor, de amvb bij de Wabo) per 1 april 2011 gewijzigd. Het nieuwe derde lid bij artikel 4.5 Bor regelt dat als voor een omgevingsvergunning een MER moet worden opgesteld, dit MER moet worden ingediend bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor fase 1.