Richtlijnen offshore windparken

De belangrijkste punten voor m.e.r. zijn:

  • Alternatieven en varianten. De Commissie adviseert minimaal twee inrichtingsvarianten uit te werken:
    • Eén waarbij de energieopbrengst voor het gehele park wordt gemaximaliseerd.
    • Eén waarbij met de locaties van en onderlinge afstand tussen de windturbines wordt gevarieerd binnen het beschikbare gebied. Doel hiervan is zoveel mogelijk milieuwinst te creëren (bijvoorbeeld tbv het voorkomen van vogelslachtoffers of het verbeteren van de scheepvaartveiligheid).
  • Mitigerende maatregelen om eventuele effecten op bijvoorbeeld natuur (vogels en het onderwaterleven) te verminderen of weg te nemen. Denk hierbij aan stilstandregelingen bij vogels en alternatieve funderingen voor heiwerkzaamheden die veel minder onderwatergeluid produceren.
  • Een kwantitatieve beschrijving van de effecten op vogels, onderwaterleven (o.a. zeezoogdieren) en scheepvaartveiligheid. Zowel de absolute effecten voor het gehele park, als de effecten per eenheid van energieopbrengst.
  • Inzicht in de cumulatieve effecten op vogels, onderwaterleven (o.a. zeezoogdieren) en scheepvaartveiligheid.
  • De consequenties van de beschermingsformules van de Vogel- en Habitatrichtlijn (i.v.m. bijvoorbeeld soortenbescherming en/of externe werking) en eventuele invloed van het initiatief op wezenlijke kenmerken en waarden van de Noordzee en de Waddenzee.