Wet ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening en de implicaties voor m.e.r.


Hoofdlijnen van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008

Er is een strak onderscheid tussen beleid en normstelling.

  • Gemeenten, provincies en het Rijk moeten structuurvisies vaststellen voor hoofd¬lijnen van het ruimtelijke beleid. Daarnaast kunnen zij voor aspecten van het ruimtelijk beleid (zoals natuur of mobiliteit) ‘sectorale’- of ‘aspecten’-structuurvisies vaststellen. Structuurvisies vervangen planologische kernbeslissingen, streekplannen en (regionale) structuurplannen. Ze zijn indicatief van aard en juridisch bindend gezien alleen het bestuursorgaan dat de structuurvisie vaststelt (horizontale binding). In de structuurvisie moet ook worden aangegeven hoe het ruimtelijk beleid gerealiseerd wordt.

 

  • Het bestemmingsplan blijft (in principe) het centrale instrument voor de ruimtelijke ordening. Daarin geschiedt de normstelling. Primair ligt het vaststellen ervan bij de gemeente. Maar provincie en rijk kunnen dat ook. Dit heet dan inpassingsplan.

 

  • In plaats van een bestemmingsplan kunnen gemeenten ook beheersverordeningen vaststellen voor gebieden met een lage dynamiek.

 

  • Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan kon een projectbesluit worden genomen. Dit staat niet op zichzelf en moest oorspronkelijk altijd in een bestemmingsplan of beheersverordening worden ingepast. Ook de provincie en het Rijk konden projectbesluiten nemen. Die koppeling verviel met de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet op 31 maart 2010. Met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het projectbesluit per 1 oktober 2010 uit de Wro gehaald en als afwijkingsmogelijkheid in de Wabo terecht gekomen.

  • Het Rijk en de provincie kunnen zowel pro-actief als reactief middelen inzetten om nationale respectievelijk provinciale belangen veilig te stellen. Pro-actief gaat het dan in de eerste plaats om algemene regels waarin het Rijk (met een algemene maatregel van bestuur) en de Provincie (met een verordening) instructienormen oplegt aan de gemeente.
    In de tweede plaats gaat het om (concrete locatie)aanwijzingen voor een activiteit van nationaal of provinciaal belang.
    Tot slot kan pro-actief het instrument van het inpassingsplan worden ingezet. Indien het Rijk of de provincie de inwerkingtreding van een gemeentelijk bestemmingsplan of projectbesluit wil blokkeren kan eventueel de zogenoemde reactieve aanwijzing worden gebruikt.

 

Bepalingen in de Wro relevant voor m.e.r.

 

Artnr. Wro Omschrijving Vermelding in kolom/onderdeel A

Relevant voor kolom plan-m.e.r., project-m.e.r.

2.1 

Structuurvisie gemeente

3

plan

2.2

Structuurvisie provincie

3

plan

2.3

Structuurvisie Rijk

3

plan

3.1, eerste lid

Bestemmingsplan gemeente

3 en 4

plan en project

3.1, derde lid

Verlengingsbesluit bestemmingsplan

A, lid 1, onder 'plan'*, sub a

plan en project

3.6, eerste lid

Wijzigingsplan en uitwerkingsplan

 

3 en 4

plan en project

3.8, zesde lid

Reactieve aanwijzing (dat deel bestemmingsplan dat niet in werking treedt)

-

niet-m.e.r.-plichtig

3.26

Inpassingsplan provincie

A, lid 1, onder 'plan', sub a

plan en project

3.28

Inpassingsplan Rijk

A, lid 1, onder 'plan', sub a

plan en project

 

3.38

Beheersverordening gemeente

A, lid 1, onder 'plan', sub c

plan en project

4.1 en 4.3

Regels verordening voor inhoud bestemmingsplan van provincie of Rijk

-

niet-m.e.r.-plichtig

4.2 en 4.4, eerste lid

Aanwijzing om bestemmingsplan vast te stellen voor zover die (als eerste) een locatie aanwijst (waarvan niet kan worden afgeweken)

A, lid 1, onder 'plan', sub d

plan

10.3

Rijksbestemmingsplan voor overige grond

A, lid 1, onder 'plan', sub b

plan en project

 

* Let op dat onder het begrip ‘plan’ in Onderdeel A van het Besluit m.e.r. dus ook project-m.e.r.-plichtige besluiten kunnen vallen. Immers een bestemmingsplan kan zowel in kolom 3 (plan-m.e.r.), als kolom 4 (project-m.e.r.) staan.

 

Sinds 1 oktober 2010 geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van een bestemmingsplan (of een beheersverordening). Als dat voor een m.e.r.(-beoordelings)-plichtige activiteit gebeurt, zal op grond van de definitiebepalingen van Onderdeel A van het Besluit m.e.r. bekeken moeten worden of ook voor het ‘afwijkings’besluit een m.e.r. (beoordeling) moet worden gedaan. Deze omgevingsvergunningen zijn uitsluitend project-m.e.r.-plichtig. Plan-m.e.r. is hiervoor niet aan de orde, behoudens in combinatie met een plan als bedoeld in kolom 3 van het Besluit m.e.r.

 

Artnr. Wabo

Omschrijving afwijkingsbevoegdheid

Vermelding in kolom/onderdeel A

Wel of geen m.e.r.-beoordeling

2.12, lid 1, sub a, onder 1

'Binnenplan' (op grond van de bestemmingsplanregels met als basis art. 3.6, lid 1, onder c Wro

-

Geen m.e.r.

2.12, lid 1, sub a, onder 2

'Kruimel'gevallen zoals bedoeld in Bijlage II, Hfdst. IV Bor

-

Geen m.e.r.

2.12, lid 2

Tijdelijke afwijking voor max. 5 jaar (met een wijziging van de Chw, kst. 33 135 zal dit 10 jaar worden)

A, lid 1, onder 'plan', sub e

Project-m.e.r.*

2.12, lid 1, sub a, onder 3

Projectafwijkingsbesluit (voorheen: art. 19, leden 1 en 2, WRO en projectbesluit o.g.v. art. 3.10 Wro)

A, lid 1, onder 'plan', sub e

Project-m.e.r.*


* als het bestemmingsplan in kolom 4 van het Besluit m.e.r. staat