200908601/1/M2 -
Veehouderij Achtkarspelen
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Conclusies voor de m.e.r. praktijk
• Het vergroten van de stal met een berging en het toepassen van een mixluchtventilatie in combinatie met een centrale emissiekoker kan niet aangemerkt worden als het oprichten van een nieuwe installatie in de zin van het Besluit m.e.r. 1994. • Ook onder de drempelwaarde van de D-lijst dient beoordeeld te worden of voor de in kolom 1 genoemde activiteit een MER gemaakt moet worden. Dit moet worden gedaan aan de hand van de factoren die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese M.e.r.-richtlijn. • Enkele factoren uit de EU-richtlijn zijn cumulatie met andere projecten en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu. Er is in het bijzonder aandacht voor beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden.
NB Er zijn eerder al uitspraken gedaan waarin wordt verwezen naar het arrest van het Europese Hof van 15 oktober 2009. De eerste was inzake een veehouderij in Uden van 16 december 2009 en de tweede ABRvS 13 januari 2010 inzake een vrijstelling voor het bouwrijp maken van de oostlob van het bedrijventerrein Schiphol Logistics Park. Daarna is bijvoorbeeld ook een uitspraak van 17 maart 2010 over een veehouderij in Rucphen gedaan.
Inhoud
Op 28 september 2009 hebben burgemeester en wethouders van Achtkarspelen een revisievergunning voor een vleeskuikenhouderij verleend. Hiermee is het houden van 8 paarden en 140.000 vleeskuikens mogelijk. Deze vleeskuikens worden gehouden in drie gebouwen: stal 1a (15.000), stal 1b (15.000), stal 2 (40.000) en stal 3 (70.000). Appelanten hebben onder andere in beroep aangevoerd dat ten onrechte geen m.e.r. is gedaan. Daartoe is volgens hen van belang dat 110.000 kippen in nieuwe stallen zullen worden ondergebracht. Hiermee is de drempelwaarde van categorie C14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. 1994 (85.000 mesthoenders) overschreden. Zij voeren aan dat ten onrechte stalgebouw 2 ten opzichte van de oude milieuvergunning zodanig is gewijzigd dat van een wijziging in de zin van een inrichting in de zin van C14 sprake is. Het aantal kippen in stalgebouw 2 had moeten worden meegerekend om te bepalen of de drempelwaarde wordt overschreden. Bovendien was de oude vergunning ten onrechte verleend voor 85.000 stuks. Dit had maar 29.700 mogen zijn in verband met de vereisten uit de Wet geurhinder en veehouderij. Als er geen sprake is van een m.e.r.-plicht, had volgens appellanten in de m.e.r.-beoordeling ook rekening gehouden moeten worden met de nabij de veehouderij gelegen objecten en gebieden voor (dag)recreatie.
Overwegingen van de bestuursrechter: M.e.r.-plicht Voor de vraag of er een m.e.r.-plicht geldt, moet beoordeeld worden of sprake is van de oprichting, uitbreiding of wijziging van een inrichting (zie kolom 1 categorie C14). In de definitiebepalingen in onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. 1994 staat dat onder ‘de oprichting van een inrichting’ ook wordt verstaan ‘de uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie’. Daarvan is in dit geval volgens de Afdeling geen sprake. Stal 1a en 1b zijn geen nieuwe installaties. In de bestaande stal 2 worden 40.000 vleeskuikens gehouden. Deze stal wordt verlengd ten behoeve van de bouw van een berging en er wordt een mixluchtventilatie aangebracht in combinatie met een centrale emissiekoker. Deze wijziging is niet zodanig dat sprake is van een nieuwe installatie. Alleen stal 3 is een nieuwe stal en kan dus als nieuwe installatie worden gezien. Hier worden echter geen 85.000 vleeskuikens gehouden. De drempelwaarde wordt dus niet overschreden; er geldt geen m.e.r.-plicht. Dat de oude vergunning mogelijk ten onrechte is verleend speelt geen rol. Die vergunning is namelijk al onherroepelijk geworden.
M.e.r.-beoordeling Er is in dit geval een m.e.r.-beoordeling gedaan waarbij de factoren uit bijlage III van de M.e.r.-richtlijn voldoende in overweging zijn genomen. De ligging van de inrichting heeft juist een rol gespeeld. De conclusie was terecht dat in de omgeving van de inrichting geen (natuur)gebieden zijn gelegen die beschermd worden vanwege hun natuurlijke kwaliteiten. Er waren ook geen andere factoren aanwezig (zoals cumulatie) die maken dat toch een MER had moeten worden opgesteld. Anders dan in beroep is aangevoerd, zijn de objecten en gebieden voor (dag)recreatie wel bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.
Uitspraak: Alle beroepsgronden, ook de overige die hierboven niet aan de orde zijn geweest, falen. De revisievergunning blijft overeind.
-
veehouderij; installaties; oprichting
|
|
200904456/1/M2 -
Veehouderij Rucphen
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Conclusies voor de m.e.r. praktijk
• Het vergroten van de stal en het toepassen van een gecombineerde luchtwasser in plaats van een mestkanaalsysteem met een biologische luchtwasser kan niet aangemerkt worden als een nieuwe installatie in de zin van het Besluit m.e.r. 1994. • Ook onder de drempelwaarde van de D-lijst dient beoordeeld te worden of voor de kolom 1 genoemde activiteit een MER moet worden gemaakt. Dit moet worden gedaan aan de hand van de factoren die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese M.e.r.-richtlijn. • Dit moet dus zelfs als men met de uitbreiding van een veehouderij ruim onder de drempelwaarden zit. • Nu dat is nagelaten, is de revisievergunning in strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. NB Deze uitspraak gaat verder dan de eerste twee uitspraken die na het arrest van het Europese Hof van 15 oktober 2009 werd gedaan. De eerste was inzake een veehouderij in Uden van 16 december 2009 en de tweede ABRvS 13 januari 2010 inzake een vrijstelling voor het bouwrijp maken van de oostlob van het bedrijventerrein Schiphol Logistics Park.
Inhoud
Het college van burgemeester en wethouders van Rucphen heeft een revisievergunning op grond van de Wm verleend voor een vleesvarkenshouderij van in totaal 2.952 gespeende biggen, 4.932 vleesvarkens (of in de plaats van gespeende biggen bij elkaar 6.478 vleesvarkens), 888 opfokzeugen en 2 paarden. De uitbreiding bestaat volgens het college uit 1.641 vleesvarkens en 240 opfokzeugen. Dit wordt in beroep betwist (hierna onder 1). Verder wordt aangegeven dat ook indien het initiatief onder de drempelwaarde van het Besluit m.e.r. 1994 blijft in dit geval (minimaal) een m.e.r.-beoordeling had moeten worden gedaan (hierna onder 2).
Overwegingen van de bestuursrechter: Na het nagaan of appellanten wel ontvankelijk zijn in hun beroep, komen de volgende vragen in verband met de drempelwaarden in het Besluit m.e.r. 1994 aan de orde: 1. Moet het vergroten van een stal (in casu ‘stal 6’) en het toepassen van een gecombineerde luchtwasser in plaats van een mestkanaalsysteem met een biologische luchtwasser aangemerkt worden als een nieuwe installatie in de zin van het Besluit m.e.r. 1994? 2. Dient de “forse toename” van het aantal varkens, het in de omgeving van de inrichting gelegen natuurgebied, de omstandigheid dat wat stankhinder betreft reeds sprake is van een overbelaste situatie en de cumulatie van stank vanwege een op 250 meter afstand van de inrichting gelegen varkenshouderij aanleiding te geven tot het opstellen van een MER? Ad 1 In casu is er geen sprake van de oprichting van een nieuwe installatie sprake (in de zin van de definitiebepalingen van onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. 1994). De varkens van stal 6 hoeven dus niet te worden meegeteld. Ad 2 Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 15 oktober 2009 dient voor de vraag of een m.e.r. had moeten worden doorlopen, behalve naar de drempelwaarde gekeken te worden naar andere factoren als bedoeld in Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Enkele factoren die daarin worden genoemd zijn de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor onder meer Natura 200-gebieden, en de orde van grootte van het effect van het project. Het is niet gebleken dat naar deze of andere factoren van bijlage III is gekeken, die in dit geval mogelijk aanleiding zouden kunnen geven tot het opstellen van een MER. De appellanten hebben gewezen op de in bijlage III genoemde omstandigheden, zoals de cumulatie van stand, de omvang van de uitbreiding en de liggen in de nabijheid van een natuurgebied, die wellicht aanleiding kunnen even tot het opstellen ven een MER.
Uitspraak: Het beroep is gegrond. De revisievergunning wordt vernietigd omdat het, nu het college factoren van bijlage III die mogelijk aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een MER niet bij de beoordeling heeft betrokken, is het besluit, voor zover is gesteld dat geen MER opgesteld hoeft te worden, in strijd met artikel 3:46 Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking meer.
-
veehouderij; m.e.r.-beoordelingsplicht; oprichting; Rucphen; Noord-Brabant; installaties
|
|
200802966/1/R1 -
Buitengebied Markelo
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Conclusies voor de m.e.r. praktijk
• Bij het beoordelen van de m.e.r.-plicht en bij het opstellen van een MER moet uitgegaan worden van hetgeen maximaal mogelijk wordt gemaakt. • In dit geval maakt het plan meer mogelijk dan de reeds verleende revisievergunning waarvoor een besluit-MER is gemaakt. Op grond van het bestemmingsplan kunnen namelijk meer bouwlagen gebouwd worden, terwijl de revisievergunning slechts één bouwlaag mogelijk maakt. Het plan is daarmee kaderstellend voor toekomstige besluit-m.e.r.-plichtige uitbreidingen. Het plan is dus plan-m.e.r.-plichtig. • Het besluit-MER kan in dit geval niet gebruikt worden als plan-MER: de gevolgen van het totale plan zijn daarin onvoldoende onderzocht.
Inhoud
Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel (GS) heeft besloten over de goedkeuring van het door de gemeenteraad van Hof van Twente vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied 1997 Markelo, herziening Groningerveldweg 2a, Markelo”. Tegen dit besluit hebben belanghebbenden beroep ingesteld. Zij voeren aan dat er bij de voorbereiding van het bestemmingsplan een plan-MER gemaakt had moeten worden en dat niet volstaan kon worden met het eerder gemaakte besluit-MER. Het plan voorziet in een agrarisch bouwvlak ten behoeve van een uitbreiding van een ter plaatse bestaande varkenshouderij. Voor de gewenste uitbreiding is reeds een Wm-revisievergunning verleend die in rechte onaantastbaar is. Voor de vergunning is al eerder een besluit-MER gemaakt.
Overwegingen van de bestuursrechter Niet in geschil is dat het plan de voornoemde besluit-MER plichtige activiteit mogelijk maakt. Het college van GS heeft in navolging van de gemeenteraad het standpunt ingenomen dat het besluit-MER dat voor de revisievergunning is gemaakt, ook als plan-MER kan dienen. Daarmee hebben college en raad niet onderkend dat het bestemmingsplan een uitbreiding van de bestaande stallen met meer dan één bouwlaag toelaat. Het besluit-MER en de revisievergunning zien slechts op één bouwlaag. Het plan vormt dus in ieder geval een kader voor toekomstige revisievergunningen voor verdere uitbreiding. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan had dus een plan-MER gemaakt moeten worden. Door gebruik te maken van het besluit-MER zijn de gevolgen voor de landschappelijke waarden van de omgeving en voor het natuurgebied De Borkeld onvoldoende onderzocht. Dit geldt ook voor de gevolgen voor geurhinder, geluidhinder en verkeershinder.
Uitspraak De Afdeling verklaart het beroep gegrond.
-
intensieve veehouderij; buitengebieden; maximaal; revisievergunning; Markelo; Overijssel; plan-MER
|
|